Weg uit het moeras

Menno ter Braak repte in de jaren dertig van een `sprinkhanenplaag' toen hij het had over de fikse toename van het aantal vrouwelijke schrijvers in het begin van deze eeuw. De boeken van schrijfsters als Augusta de Wit, Top Naeff, Ina Boudier-Bakker, Jeanne van Schaik-Willing en A.H. Nijhoff konden zijn goedkeuring niet wegdragen. `Damesromans' noemde hij ze. Eigenlijk waren alle schrijfsters, op Carry van Bruggen na, in zijn ogen damesromanschrijfsters. Andere critici hadden het over `vlot en vlug pennende dametjes' die alleen maar op commercieel succes uit waren. Door literatuurwetenschapsters is wel gesuggereerd dat Ter Braak en de zijnen het bedreigend vonden dat vrouwen een rol gingen opeisen in de literatuur. En ook dat ze jaloers waren op hun succes.

De kwestie lijkt weer enigszins actueel nu een toenemend gemor valt te horen over het succes van bestseller-schrijfsters als Connie Palmen, Lulu Wang, Anna Enquist, Nelleke Noordervliet, Tessa de Loo en Elle Eggels. Dat zou ten koste gaan van minder goed in de markt liggende collega's. Sinds onderzoek heeft uitgewezen dat ruim driekwart van de lezers bestaat uit koopkrachtige lezeressen van middelbare leeftijd, die graag boeken lezen van vrouwen van veertig jaar en ouder, richten de meeste uitgevers zich in hun promotiebeleid nog meer op vrouwelijke auteurs. Dat is misschien sneu voor de anderen, maar zolang er óók nog wordt gemord over het veel te grote aantal literaire titels dat jaarlijks wordt uitgebracht, denk ik niet dat er echt iets verontrustends gaande is. Het verkoopsucces van de een zorgt ervoor dat het minder courante boek van de ander ook kan worden uitgegeven. Dat was waarschijnlijk in Ter Braaks tijd ook al zo.

Ik ben overigens benieuwd waar hij de dichteres en prozaschrijfster Anna Enquist zou hebben ondergebracht, als zij in 1931 was gedebuteerd in plaats van in 1991: onder de dames of onder de uitzonderingen. Het succes dat zij vanaf het begin heeft gehad, maakt haar enigszins verdacht, maar haar ferme toon en bondige stijl doen weer weinig damesachtig aan. Soldaten liederen was de krachtige titel van haar poëziedebuut. Aan dit uitgangspunt is zij, als je dat zo kunt zeggen, trouw gebleven. Tot op heden valt er veel strijd te bespeuren in haar werk en haar zinsbouw is soldatesk te noemen. Ik vermoed dat het precies die strijdbaarheid is, die het werk van Enquist zo geliefd maakt. Er is een hoop ellende in de wereld, zo valt er uit op te maken, maar voor de doorzetter is er altijd wel een uitweg te vinden. In haar twee romans laten de hoofdpersonen zich aanvankelijk op de kop zitten door ouders en echtgenoten, maar tenslotte gaan ze hun eigen weg: sterke vrouwen, die hun spreekwoordelijke mannetje staan.

Als om de stoerheid van haar schrijverschap nog eens te accentueren, gaan vijf van de tien verhalen uit De kwetsuur, haar nieuwe boek, over voetbal. Het titelverhaal draait om de blessure die een achttienjarige voetballer oploopt in een botsing met een onbehouwen tegenstander. Een amusante, maar overigens wat kernloze geschiedenis. Wat de strekking ervan wil zijn, wordt mij niet helemaal duidelijk. Wordt hier de toenemende spelverruwing aan de kaak gesteld? Gaat het om de moeder van de geblesseerde, die als een leeuwin vecht voor de belangen van haar jong? Of wil Enquist een indruk geven van de intern verdeelde, maar o zo opereerlustige medische stand, die in het gebroken been van de jongen een mooi studieobject ziet? Wel vormt het verhaal, het middelste, in de vertrouwde hakkerige Enquist-stijl (`Pijn. Geen eetlust. Huiswerk. Televisie.Alles moeten vragen.') een aardig scharnierpunt in de bundel. Als enige van de tien gaat het over een lichamelijke, aanwijsbare kwetsuur, terwijl de overige verhalen om onzichtbare, innerlijke kwetsuren draaien, moeilijker aan te wijzen en ook moeilijker te bestrijden.

Veel ongenoegen is hier in het spel: gekwetste gevoelens, een ernstig gebrek aan ouderliefde, zelfmoordgedachten, angst voor het onbekende, onverwerkte jeugdtrauma's en het uit al deze ellende voortvloeiende verlangen naar iets hogers, dat verlossing kan bieden uit het zompige bestaan van alledag. Kloeke verhalen zijn het, nergens sentimenteel, of ze nu gaan over een suïcidale huisvrouw, een eetverslaafde, of om de dochter van een melkboer die het tot dichteres brengt. De Zuiderzee, Delft en enkele Noordhollandse dorpen spelen een schilderachtige rol in het geheel. Erg sfeervol is bijvoorbeeld het historische verhaal over een botvisser die met zijn twee zoons noodgedwongen op een ijsschots de Zuiderzee oversteekt. Het is een oversteek die alleen door de jongste en slimste zoon wordt overleefd omdat hij, zoals Enquist suggereert, niet op God vertrouwt, maar op zichzelf.

Het is deze eigendunk die de bundel intrigerend maakt, eerder dan de verhalen op zichzelf, die wat te krap lijken voor wat Enquist allemaal wil meedelen. Ze wil eigenlijk teveel voor haar protégés: een verleden, een trauma, wonden die gelikt kunnen worden én uitzicht op herstel. Meer nog dan in haar romans spreekt hier de zielknijper die Enquist ook is. Zij houdt van verbanden en probeert daarom de tien verhalen op slinkse wijze met elkaar te verbinden. In het laatste verhaal vindt een gesprek plaats tussen een personage dat we al kenden en een therapeute. Daarin worden nog snel even wat losse draden uit de overige verhalen afgehecht. Meer voor Enquists eigen geruststelling dan voor die van haar lezers, vermoed ik. Het is een truc die wel vaker wordt toegepast in een verhalenbundel die eigenlijk een roman had willen zijn.

Anna Enquist: De kwetsuur. De Arbeiderspers, 230 blz. ƒ34,90