VS kunnen Iran veranderen in olieparadijs

De lage olieprijzen dwingen oliemaatschappijen naar gebieden met lage productiekosten te zoeken. Iran lijkt een olieparadijs. Europese bedrijven staan te trappelen. Maar het Amerikaanse sanctiebeleid maakt ze nog voorzichtig.

,,Wij kijken scherp naar onze kansen op projecten in Iran en we houden de Amerikaanse regering precies op de hoogte'', zegt een woordvoerster van BP Amoco in Londen uiterst voorzichtig. Shell gaat iets verder: ,,We gaan ervan uit dat de uitzondering die Total kreeg ook voor andere Europese bedrijven zal gelden.''

BP Amoco, Shell, het Italiaanse Eni en het Franse Elf Aquitaine behoren tot de ruim dertig oliemaatschappijen, voor het grootste deel uit West-Europa, die hun paradijs in Iran denken te vinden. Allemaal hebben ze biedingen gedaan op nieuwe olie- en gasprojecten in Iran waarvoor de Islamitische regering in Teheran partners zoekt met veel geld en technische kennis. De Franse maatschappij Total kreeg vorige zomer van president Clinton een uitzondering op de Amerikaanse sancties die grote investeerders in Iran bedreigen. Op het hoogste niveau, tot aan president Chirac toen, hadden de Amerikanen ernstig bezwaar gemaakt tegen de investering van Total voor 2 miljard dollar in een gasproject op het Iraanse deel van de Golf. Maar zware druk van de EU en de Franse regering deed Clinton zwichten. Door de Europese Unie werd dat uitgelegd als een precedent. De omstreden Amerikaanse sanctiewet op investeringen in Iran en Libië lijkt voor Europese bedrijven een bot zwaard geworden.

Toch krijgt geen enkele Europese onderneming op voorhand zekerheid uit Washington, want formeel beschouwen de Amerikanen Iran nog steeds als een land dat terroristische acties tegen Israel steunt en het vredesproces in het Midden-Oosten dwarsboomt. De dollarvloed aan olie-inkomsten zou misbruikt kunnen worden voor een onverantwoorde opbouw van een Iraans militair-industrieel complex. Vorige week verklaarde de woordvoerder van het State Department dat een recente investeringsovereenkomst met Iran, die van het Italiaanse Eni en het Franse Elf Aquitaine (560 miljoen dollar) ,,scherp zal worden beoordeeld op strijdigheid met de sanctiewet''.

Alleen Clinton kan voor nieuwe uitzonderingen zorgen en het paradijs Iran openstellen. De Amerikaanse president toonde zich vorig jaar al gevoelig voor steun aan de gematigde president Khatami, die toenadering tot het Westen (ook de VS) nastreeft. Ook de EU bepleit een dialoog met Khatami, mede om de naleving van de mensenrechten te verbeteren, en de handelsbetrekkingen te behouden.

Intussen komt Clinton steeds meer onder druk te staan van zijn eigen, nationale olie-industrie die getroffen is door een strict investeringsverbod in Iran en tot nu toe het nakijken heeft bij de lucratieve Europese projecten in dat land. Tot eind 2001 zit hij nog vast aan de sanctiewet, destijds een product van Republikeinse druk. Een initiatief-wetsvoorstel van senator d'Amato kon Clinton in 1997 slechts pareren met een eigen wet.

Gedwongen door de aanhoudend lage olieprijzen zijn vrijwel alle oliemaatschappijen op zoek naar de goedkoopste olie- en gasprojecten. Dure, soms al verliesgevende projecten op de Noordzee, in de VS, de Kaspische Zee en Venezuela worden vertraagd, stopgezet of voor een appel en een ei verkocht. Terugkeer naar de goedkope velden in het Midden-Oosten, het gebied waar de olieconcerns in de jaren '70 door nationalisaties werden verdreven, is dè oplossing. De regering in Teheran, die met economische problemen kampt, ontvangt investeerders met open armen.

Geen wonder, want daar valt zelfs bij een olieprijs beneden de 10 dollar per vat nog een flinke winst te behalen. Patrick de Genevraye, vice-president voor het Midden-Oosten van Total, bevestigde dat tegenover een verslaggever van de Wall Steet Journal, op een boorplatform in de Golf. Hier zijn de kosten om een vat olie op de markt te brengen gemiddeld slechts 1 dollar, een tiende of nog minder van die in de meeste velden op de Noordzee. Voor de dollarstroom op gang komt, moet er geïnvesteerd worden in exploratie.

Zodra een olieconcern daar succes mee boekt en de productie begint, is de investering vrijwel riscoloos. Weliswaar staat de Islamitische grondwet niet toe dat de olie die naar boven komt wordt gedeeld tussen de producent en de staat, zoals in veel landen gebruikelijk is. Grondstoffen dienen eigendom van het land te blijven. Maar de Iraniërs hebben een slimme truc gedacht, de zogenoemde buy back-projects om Westerse investeerders te paaien. Voor hun diensten en investeringen worden de olieconcerns betaald met olie, tegen een vaste waarde die bij de ondertekening van een overeenkomst wordt vastgesteld. Gaat de marktprijs omhoog dan strijkt de staat de winst op, bij een daling heeft de staat en niet de buitenlandse partner pech.

Na Total, Eni en Elf, staan nu het Britse Premier Oil en het Canadese Bow Valley te trappelen om zo'n akkoord met de staatsmaatschappij National Iranian Oil Company (Nioc) te tekenen voor een investering van zo'n 270 miljoen dollar. Zelfs het Amerikaanse Arco prijkt op het lijstje van bieders in Iran dat vorige week door het vakblad Middle East Economic Survey werd gepubliceerd, maar nadrukkelijk met de aantekening dat het feest pas kan doorgaan als Washington goedkeuring geeft.

Een speciale, kwetsbare positie nemen Shell en BP Amoco in, die anders dan Total, Elf en Eni enorme belangen in de VS hebben. Een bieding op een Iraanse tender is nog tot daaraan toe, maar een investeringsovereenkomst? Ze zouden door Amerikaanse sancties hard getroffen kunnen worden. De sanctiewet bedreigt hen niet alleen met boetes maar ook verlies aan opdrachten en vergunningen in de VS en zelfs een reisverbod voor hun topmannen. Shell-woordvoerder Reinier Treur desgevraagd: ,,Wij gaan ervan uit dat we conform de afspraken die vorig jaar tussen de EU en de VS zijn gemaakt in soortgelijke projecten als dat van Total ook op een soortgelijke positie mogen rekenen.''