Vijftigduizend neuzen

Picasso maakte in zijn leven 50.000 kunstwerken. Vierhonderd daarvan hangen nu in de Rotterdamse Kunsthal.

Toe maar. Op de valreep van het millennium nog een grote Picasso tentoonstelling in de Rotterdamse Kunsthal: de beste kunstenaar van de eeuw in het mooiste gebouw van de wereld. En ook als dat maar voor de helft waar is, dan nog is het de moeite van het kijken meer dan waard.

De tentoonstelling geeft een goed beeld van Picasso, zijn ouders, zijn vrouwen, zijn kinderen, zijn inspirators en tegenstanders en ook van het schildersleven in die dagen. Er zijn niet alleen schilderijen te bewonderen, maar ook tekeningen en keramiek.

Pablo Ruiz werd in 1881 geboren in Málaga. Zijn vader heette Jozef en zijn moeder Maria. Van jongs af aan maakte hij tekeningen en schilderijen, die hij signeerde met de achternaam van zijn moeder. Op twintigjarige leeftijd trok hij naar Parijs, en daar begon hij als een gek te schilderen. Pas op 92-jarige leeftijd hield hij ermee op. In de tachtig productieve jaren gemiddeld bijna twee kunstwerken per dag; 625 per jaar; 50.000 in zijn gehele leven. Zijn werk wordt noodgedwongen ingedeeld in perioden: de blauwe periode, de roze periode, de kubistische periode, enzovoorts.

Vijftigduizend! Musea hangen er vol mee. In de talloze Picasso-musea, in Málaga, Barcelona, Parijs, Luzern en in al die andere Musea of Modern Art. En nu ook nog in de Kunsthal in Rotterdam.

Picasso's belang ligt toch niet in de kwantiteit. Hij zorgde in de eerste plaats voor een nieuwe kijk op de wereld. In de vijftiende eeuw is de mensheid verslaafd geraakt aan de dwangmatige wetten van het perspectief. Als we iemand daarvan de schuld moeten geven, is het wel de architect Brunelleschi (1377-1446). Hij construeerde als eerste een perspectief met behulp van de plattegrond, de dwarsdoorsnede en met toepassing van elkaar snijdende lijnen. Vasari, die toch al zo opschepte over de renaissance-kunstenaars, noemde dat `een werkelijk heel vernuftige ontdekking, waar de tekenkunst veel baat bij vond.'

Het tegendeel is waar. De mens werd een gevangene van zijn eigen blikveld. De ruimte werd gekromd rond het oog van de waarnemer. De mens werd het middelpunt van het heelal en de wereld bijeengehouden door de wetten van het perspectief. In dat panopticum bleef de mensheid eeuwenlang steken. Tot aan het begin van deze eeuw; tot aan die bevrijdende schilderkunst van Cézanne, van Bracque en van Piccasso. Zij lieten die wereld uit elkaar vallen. Zij versplinterden de ruimte en maakten de mens los van de ketenen van het perspectief.

Picasso's schilderij Les Demoiselles d' Avignon vormt het beginpunt van deze revolutie. Vijf naakte vrouwenfiguren staan opgesteld om een stilleven. De achtergrond is blauw, de figuren zijn roze en hoekig van vorm. De linkerhelft van het schilderij herinnert nog aan de figuren uit de roze periode. Aan de rechterkant van het doek zien we twee heel andere `demoiselles', met koppen als Afrikaanse krijgers.

Met die twee griezelmeiden begint het kubisme, de kunst van de ontbinding van de ruimte.

Wirwar

Als u wilt ervaren hoe angstaanjagend deze nieuwe kunst was voor het publiek uit die tijd, dan kan ik u één ding aanbevelen: dan moet u een bezoek brengen aan de Kunsthal in Rotterdam. Alleen al het vinden van de ingang van die glasbak is een onmogelijke opgave. Is dat uiteindelijk gelukt, dan is men binnen drie minuten elk gevoel voor richting kwijt want dan komt men in een wirwar van gangen en zalen zonder middelpunt; uit het lood geslagen pilaren, die zwaar aanleunen tegen de zwaartekracht. Nergens een natuurlijk evenwicht. Alles schots en schuin. Ik heb rolstoelen van de hellingbaan naar beneden zien pletteren. Ik heb mensen huilend naar de uitgang zien zoeken. Een hele groep schoolmeisjes uit Avignon: nooit meer teruggevonden. De kunsthal is een gebouw zonder perspectief en zonder iets of iemand om er richting aan te geven. Want niemand heeft ons geleerd te houden van abstracte architectuur.

Moderne schilderkunst, ja, dat zijn we mooi gaan vinden. Dankzij Picasso. Zoals we klassieke muziek zijn gaan waarderen door te luisteren naar de Bolero van Ravel. Want Picasso is niet alleen de ontdekker van nieuwe kunststromingen, maar ook de vertaler ervan naar het grote publiek. Hij maakte moeilijke kunst toegankelijk; begrijpelijk en acceptabel. Niet voor niets heet in de volksmond elk modern schilderij een `Picasso'.

Hij heeft ons laten zien dat een uiteengevallen ruimte niet eng is. Dat er een nieuwe invulling aan kan worden gegeven, met meer vrijheid en meer mogelijkheden dan ooit. Zijn hele werk is van een vertrouwdheid, die elke angst doet verdwijnen.

Dat begint al in de kinderslaapkamer met een reproductie van Picasso's meisje met de duif. Dat kleine meisje met die lange jurk. In haar handen heeft ze een kleine witte duif. Handen vol tederheid. Er is geen lieflijker schilderij dan dat.

Jaren later, bij je eerste verliefdheid, komt daarvoor een ander schilderij in de plaats: het schilderij met de verlegen blauwe rug van het naakte meisje. Picasso begrijpt jouw onzekerheid en jij sluit hem voor altijd in de armen. Hij geeft je de broodnodige beelden voor je kritiek op de wereld. Zijn Guernica is jouw Vietnam, jouw Zuid-Afrika, jouw Kosovo. Posters aan de muur laten zien wie je bent en waar je staat. Picasso is er voor elke stemming en elke emotie. Hij laat je blij zijn en dansen, of huilen van verdriet.

Zijn werk verandert telkens weer. Maar toch blijft elk schilderij ondubbelzinnig Picasso.

Hoe komt dat eigenlijk, dat je een Picasso direct herkent? Hoofdzakelijk door één ding, door één constante. Vanaf de meiden van Avignon tot aan zijn laatste zelfportret van 1972 is er één telkens terugkerend element, één dominerend object in zijn schilderijen, namelijk: de neus. Vijftigduizend kunstwerken met minstens vijftigduizend neuzen. Een voetbalstadion vol neuzen. En wat voor neuzen: kleine neuzen, grote neuzen, omgeklapte neuzen, driedubbel-naar-buiten-gekeerde neuzen, een driehoek met neusgaten of de bekende vierdimensionale Picasso neus, waarvan je tegelijkertijd de voorkant ziet als de zijkant. Zowel de binnenkant als de buitenkant. Het perspectief werd overboord gezet, maar de neus kwam ervoor in de plaats.

En als u naar de Kunsthal gaat, op zo'n overvolle zondagmiddag, let dan eens op al die neuzen.