Verstekeling in de tijd

Voordat ik zelf begon met boekbespreken heb ik nooit willen geloven dat je na een stiefkwartiertje lezen al kon weten of een boek de moeite waard zou worden. Wat na twintig bladzijden nog niet veel leek, kon heus nog wel iets worden, het verhaal kreeg vast een nieuwe draai, en wat na twintig bladzijden geweldig leek, kon best weer inzakken. Het ging er om geduld te hebben, wie meteen al klaar zat met een oordeel was de literatuur niet waard.

Maar neem Marcel van Erwin Mortier. De schrijver is een debutant, de titel klinkt volkomen blanco en de flaptekst spreekt natuurlijk van een hoogst indringend boek, maar maakt je verder evenmin speciaal nieuwsgierig. Wéér een roman van een Vlaming die zich afspeelt `op het Vlaamse platteland' – u weet wel, waar het volk bekrompen is en kerks en politiek nog steeds niet helemaal fris. `Nazis durant les guerres et catholiques entre elles', zong Brel al, en de halve Vlaamse literatuur zingt met hem mee, dus waarom moet dat nog een keer gedaan? Door een auteur die volgens de flaptekst nota bene een kunsthistoricus uit `65 is en onderhand dus wel wat anders aan zijn hoofd zou mogen hebben dan alweer dat bruine achterland?

Ook de eerste bladzij overtuigt nog niet meteen. Want wat is dit voor pronkerige stijl? De eerste zin introduceert het oude, scheefgezakte huis dat wij in de roman zullen bewonen. Op het dak, zegt de tweede zin, loopt een `kromme ruggengraat' van dakpannen. De ramen, zegt de derde, hangen `min of meer beschonken' in de gevel en de kamers, zegt de vierde, huisvesten een `voorgeborchte' van duisternis. Dat zijn drie mooie, sterke beelden, maar helaas niet bij elkaar. Het voorgeborchte en de ruggengraat komen uit totaal verschillende werelden. Ze blijven vreemden voor elkaar en wijzen daarmee van de tekst terug naar de schrijver, die klaarblijkelijk zo dol op metaforen is dat hij ze overal vandaan haalt en allemaal even prachtig vindt.

Maar vreemd genoeg is het vervolgens juist die stijl die je het boek door trekt. De metaforen blijken na een paar alinea's toch eigenlijk zo gek nog niet, je went eraan in elk geval. Ze passen na een poosje in een algehele sfeer van kunstigheid die iets aanstekelijks heeft, je krijgt de neiging zinnen op de tong te leggen en er op te sabbelen als waren het bonbons. Het boek, kortom, stelt op de een of andere manier zijn eigen wetten. Wat verkeerd leek, blijkt juist helemaal te kloppen, wat bizar leek, krijgt een eigen logica. Die taal is er toch blijkbaar niet uitsluitend voor het mooi, er zit een hele wereld in verborgen, en ineens weet je het zeker. Dit wordt goed. Dit wordt verdomde goed.

Dat is het oordeel dat je na een stiefkwartier kunt vellen. Het is het oordeel dat de bokken van de schapen scheidt, de namaakschrijvers van de echte. Een roman mag autobiografisch of fictief zijn, realistisch of fantastisch, hedendaags of historisch, het verhaal mag zich zelfs op het Vlaamse platteland afspelen – als het maar gedragen wordt door een idee, een visie, iets dat aan de taal een dwingende en eigenzinnige structuur geeft. Als dat zo is, hoef je als lezer je nieuwsgierigheid maar achterna te gaan om aan het eind van de roman de wereld van de schrijver terug te vinden in je eigen hoofd.

Aldus gedaan, met Marcel, en ingetrokken in het scheve oude pandje uit de eerste zinnen, waar, tezamen met een bijpassende grootvader, `de grootmoeder' blijkt te wonen. Zij heeft een naaiatelier aan huis en krijgt daarom de dames uit het dorp over de vloer. Maar haar voornaamste bezigheid onttrekt zich aan het oog van het publiek. In een vitrinekast die in de keuken staat legt ze een fotogalerij aan van familieleden die er niet meer zijn. Een klein hiernamaals, een `tijdelijke uitbreiding van de hemel', en ze onderhoudt haar schat met zorg. De lijsten stoft ze steeds weer af, zoals ze ook de graven op het kerkhof steeds weer afsopt, en ze levert daar een wemeling aan levensverhalen bij. Ze is `de averechtse baker van haar ras'.

Met haar verhalen kruipt het bruine Vlaamse verleden binnen in dit boek. De titelheld Marcel blijkt een broer van haar te zijn geweest, die zich uit hartstocht voor de Vlaamse zaak in de oorlog bij de Duitse bondgenoot heeft aangemeld en aan het Oostfront is gesneuveld. De rest van de familie, ook collaborerend met `den Duits', is na de bevrijding zwaar bestraft en heeft dat nooit kunnen verkroppen. Altijd zijn het immers weer de `kleine vissen' die gevangen worden, nooit de heren die eraan hebben verdiend. De grootmoeder heeft dan ook weinig last van haar geweten en verbergt onder de schaamte die van haar verwacht wordt regelrechte trots. Marcel is een heldendood gestorven.

Die sociaal onwenselijke trots is waar het hier om draait. Het is het grondwater van de roman, het borrelt steeds weer op, zelfs buiten de familie soms. Wanneer de grootmoeder haar stoffenleverancier bezoekt en een gezellig glaasje met hem drinkt (`'t giet wel goed binnen') blijkt ook hij een traantje weg te pinken bij de goeie ouwe tijd. En wanneer de grootmoeder klandizie krijgt van een geheel verfranste dame blijkt al gauw dat die verfransing iets van na de oorlog is. Het mens gaf ooit Kulturabenden in het dorp en is het eigenlijk weer helemaal met de grootmoeder eens, als het zo ter sprake komt. `We moeten ons nergens over schamen.'

Toch zijn dit soort scènes niet de kern van de roman. Ze zijn belangrijk en vaak reuze effectief, op de rand van hilarisch en toch ingehouden genoeg om nog een klein beetje te schrijnen, maar het resultaat zou niet veel meer dan aardig en conventioneel geweest zijn als Mortier er niet een element aan toegevoegd had. Hij voorziet de scènes van een ik-figuur, een waarnemer aan de zijlijn die aanvankelijk niet veel contouren heeft, maar een kleinzoon van de grootmoeder blijkt te zijn. Hij woont bij haar in en groeit op met de waarden die zij uitdraagt. Hij ziet toe hoe zij haar fotogalerij afstoft, hij leert over de oorlog en hij hoort daarbij voortdurend dat hij zo verbluffend op Marcel lijkt. Helemaal Marcel, ze blijft het zeggen, en ze ziet daar een belofte in. Hij zal degene zijn die het verleden goed zal maken en de schande af zal wassen.

Daarmee belichaamt deze jongen alle eigenaardigheden van haar naoorlogse leven met de oorlog. Hij is een verstekeling in de tijd. Hij is getuige van het heden maar hij hoort bij het verleden. Hij is in het heden wel aanwezig, maar hij neemt er nooit aan deel, en daarin lijkt hij, interessant genoeg, op personages aan het andere uiterste van de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog – de naoorlogse joden in het werk van Marcel Möring bijvoorbeeld. `Een produkt ben ik', zoals de held uit Mendels erfenis het zegt, `de laatste uitstulping van een al lang afgeronde geschiedenis.'

Het is die ongrijpbare positie die Marcel in taal probeert te vangen, een soort tussenpositie tussen levenden en doden en wanneer dat tot je doordringt, merk je plotseling dat dat precies is wat die curieuze kunsttaal doet. Dood en leven, hemel en aarde, voor de ik van het verhaal loopt het verwarrend door elkaar, dus grootmoeders vitrinekast lijkt inderdaad wel een hiernamaals en haar huis heeft inderdaad iets van een voorgeborchte. Zelfs die kromme ruggengraat van dakpannen en die beschonken ramen passen in het beeld. Want hoe morsdood dat huis ook is, door het verleden dat het met zich meedraagt, leeft het voor de ik meer dan de meeste levenden om hem heen.

Met de spanning van die dubbelzinnigheden trekt Mortier je naar het laatste hoofdstuk, en hoe knap dat is besef je pas als je daar aankomt. Want wat is er verder aan dit boek dat spanning geeft? Een plot met een ontknoping is er nauwelijks. Het slot biedt onverwachts nog een tournure die ontlading brengt, maar verder lees je het geheel als een tableau van losse scènes. Het beeld staat als het ware stil, het is onttrokken aan de tijd, net als het leven van de jonge ik, en dat vereist het hoogste van een schrijver. De spanning in de tekst kan nergens anders meer in zitten dan in zijn eigen taal en stijl.

Voor wie toch nog even wil zeuren: er zijn bladzijden waarin Mortier die spanning net niet helemaal weet op te bouwen. Je ziet af en toe dat hier een jonge schrijver aan het werk is die nog zoekt naar wat hij te vertellen heeft, de kunstigheid wint het een enkele keer nog van de echte kunst.

Maar mij zal dat een zorg zijn. Al met al is dit een droom van een debuut, verbluffend in zijn technische beheersing, overrompelend van sfeer, ontroerend en nog geestig ook, en bij dat alles volkomen eigen. Als ik het niet net gelezen had, zou ik dat nu onmiddellijk gaan doen.

Erwin Mortier: Marcel. Meulenhoff, 142 blz. ƒ29,90