Stemmetjes van het geweten

Over Moraal is het nieuwste boek van de medisch-ethica Heleen Dupuis. Het is een inleiding in de ethiek, waarin zij zich niet beperkt tot de medische ethiek, maar ook een politieke visie geeft op de maatschappij. Die visie, die ze `liberaal' noemt, is de volgende: in onze multiculturele samenleving moet men een onderscheid maken tussen een publiek moreel domein en een privé-domein. In het publieke morele domein bestaan vaste normen en waarden. In het privé-domein is iedereen, binnen zekere grenzen, vrij om zijn eigen normen en waarden te volgen.

Deze visie verklaart de willekeurig lijkende volgorde van de hoofdstukken in Over Moraal. Dupuis betoogt dat er geen absolute moraal bestaat, te meer daar moraal niet op feiten kan worden gebaseerd. Het zou volgens haar evenwel weer te ver gaan om te beweren dat morele opvattingen altijd relatief zijn, want er zijn normen en waarden waarover we met elkaar redelijke afspraken kunnen maken. Liggen die afspraken eenmaal vast in de rechtsorde van een land, dan behoren diegenen die daar willen gaan wonen, zoals asielzoekers, zich aan te passen. De vaste waarden in het Nederlandse publieke domein berusten op een `westerse christelijke humanistische visie op de mens'. Na een onvolledig overzicht van de verschillende opvattingen over de moraal in de twintigste eeuw sluit Dupuis haar boek af met een hoofdstuk getiteld `Bezig zijn met moraal: vuile handen, compromissen en integriteit.' Morele integriteit houdt in, aldus Dupuis, dat er `bij morele keuzen geen `geheime agenda's' meedoen op het punt van eigenbelang.'

Het laatste citaat toont één van de tekortkomingen van dit boek: de stijl. Op papier moet de lezer het zonder Dupuis' dictie stellen en dan blijkt dat het Nederlands waarvan zij zich bedient povertjes is. Wat te denken van zinnen als `Bijna elk dier heeft wel iets waarin het beter is dan de mens, maar alles bij elkaar kan de mens van heel veel een beetje'. Of: `Niets bijzonders dit alles, maar toch een stevig fundament voor een moraal'. De menselijke rede wordt omschreven als `een soort in de mens aanwezig supervermogen, dat de mens aanstuurt.'

Euthanasie

Dergelijk taalgebruik tempert het enthousiasme voor de ethica Dupuis. Immers, beweringen zijn talige uitdrukkingen van overtuigingen. Indien de beweringen onnauwkeurig zijn geformuleerd, is dan over die overtuigingen zelf wel zorgvuldig nagedacht? Geeft Dupuis een criterium op grond waarvan we het volgens haar zo cruciale onderscheid kunen maken tussen het publieke en het privé-domein van de moraal? Is bijvoorbeeld, om op haar terrein te blijven, de toelaatbaarheid van euthanasie een vraag op het gebied van het publieke of het privé-domein? De Amerikaanse rechtsfilosoof Ronald Dworkin heeft betoogd dat dergelijke beslissingen behoren tot het domein van de privé-moraal. Het probleem voor deze opvatting is dat euthanasie doodslag met voorbedachte rade is en juridisch dus nauwelijks te onderscheiden valt van moord, hetgeen wèl een publieke zaak is. De moeilijke taak voor de wetgever is om in het publieke domein een wet te formuleren met duidelijke criteria op grond waarvan euthanasie van moord onderscheiden kan worden.

Een dergelijke wet verschaft mensen een recht op euthanasie, hetgeen niet impliceert dat zij ook verplicht zijn dat recht uit te oefenen. De beslising om dat te doen behoort tot het privé-domein van de moraal. In een liberale samenleving, zou je zeggen, kan men verdedigen dat er voor patiënten van streng-christelijke huize ziekenhuizen dienen te bestaan waar incontinente, demente bejaarden niet bij de eerste beste longontsteking `uitbehandeld zijn'. Dupuis stelt echter eenvoudigweg dat het moreel onverdedigbaar is om altijd maar door te behandelen. Zodoende eigent zij zich het morele privé-domein van orthodoxe christenen toe. Ze gaat nog een stap verder: orthodoxe christenen moeten ook hun mond houden in het publieke domein. `Het klinkt hard', aldus Dupuis, `maar het lijkt mij volslagen reëel om zeer starre `pro-life' standpunten niet toe te laten in een moreel debat, en bij gevolg ook degenen die zulke standpunten huldigen daarvan uit te sluiten.'

Over moraal staat vol met dergelijke meningen waarvoor geen rechtvaardiging wordt gegeven. Zo stelt Dupuis dat `De affaire Buikhuizen [sic] een werkelijke schandvlek op het blazoen van de Nederlandse samenleving' is, zonder in te gaan op de achtergronden van de affaire rondom de criminoloog Buikhuisen, die gedetineerden, op basis van vrijwilligheid, medisch wilde laten onderzoeken.

Het woord dat dit boek kenmerkt is haast. Posities op het gebied van de ethiek worden slordig weergegeven. De stijl is onverzorgd. Morele overtuigingen die haar niet aanstaan worden zonder afdoende argumentatie veroordeeld. Uit niets blijkt dat Dupuis ergens lang over heeft nagedacht.

Een mogelijke verklaring voor de gebrekkige weergave van wijsgerig-ethische posities is dat Dupuis haar opleiding heeft genoten aan een theologische faculteit. Christelijke ethiek, zo blijkt uit het gelijknamige boek van G.G. de Kruijf, speelt zich af in een geheel andere wereld dan die van de wijsgerige ethiek. Christelijke ethici lezen een ander canon aan teksten, in de allereerste plaats natuurlijk de bijbel, en beroepen zich in laatste instantie op hun geloof en niet op een sluitende redenering. Dupuis bedrijft op soortgelijke wijze ethiek: ze neemt een standpunt in en de enige rechtvaardiging voor dat standpunt is dat zij er in gelooft.

De Kruijfs boek biedt een goede inleiding in de methode van de christelijke ethiek, die wordt gekenmerkt door het vertrouwen dat `het evangelie van Jezus Christus de ethische vraag wat goed leven is `absoluut' en `universeel' geldig beantwoordt.' Dat antwoord wordt echter niet als een expliciet geformuleerde theorie gegeven, maar moeten we zoeken in het Nieuwe Testament en in de commentaren van `vier kerkvaders: Augustinus, Luther, Calvijn, Barth.' Zo wordt christelijke ethiek tegelijkertijd een zoektocht naar het Goede en een gehoorzamen aan Gods wet die volgens Paulus in onze harten geschreven is (Romeinen 2, 15).

Uitgangspunt van de Kruijfs boek is de opvatting van Karl Barth dat ethiek thuishoort in de christelijke dogmatiek. Het christelijk geloof heeft een universele strekking en moet zich dus ook de ethiek toeëigenen. Barths opvattingen impliceren dat christenen beter weten wat goed is voor de mens dan heidenen, een archaïsche term die nu van toepassing is op een groot aantal leden van onze multiculturele samenleving. De Kruijf schrijft echter al in het eerste hoofdstuk van zijn boek dat hij beseft dat christelijke ethiek geen universele geldigheid meer voor zichzelf kan opeisen. Desondanks zijn de overige hoofdstukken van zijn boek Christelijke ethiek geschreven vanuit de vooronderstelling dat het christelijk geloof wáár is.

De Kruijf staat daarmee voor een dilemma. Ofwel hij houdt vast aan de waarheid en universele geldigheid van het geloof, maar dan kan hij niet langer beweren dat christelijke ethiek een benadering is te midden van andere ethische theorieën. Ofwel hij geeft de universele geldigheid van het christelijk geloof op, maar dan moet hij ook ontkennen dat het christelijk geloof het enige ware geloof is. Geconfronteerd met dit dilemma zegt De Kruijf dat het christelijk geloof één mogelijke benadering is naast andere, maar hij gaat desondanks voort alsof dat het enige ware geloof is.

Tegen Barths opvatting dat ethiek een onderdeel moet zijn van de christelijke dogmatiek is de meest radicale tegenwerping uiteraard die van de atheïst. De Kruijf bespreekt in dat verband wel Nietzsches destructie van de moraal, maar negeert merkwaardigerwijs diens uitspraak `God is dood'. Voor de christelijke ethiek is dat laatste evenwel het grote probleem: God laat zich niet meer horen in onze maatschappij, waardoor een moraal die zich op hem beroept in het luchtledige zweeft.

Hoe een elementaire inleiding in de wijsgerige ethiek geschreven dient te worden, laat de emeritus hoogleraar Van Haersolte zien in Inleiding ethiek. Hij blijft trouw aan het adagium van de negentiende-eeuwse idealist Bradley, die schreef: `Indien het laten blijken van theoretische belangstelling in moraal en religie opgevat wordt als een manier om zichzelf als leraar of dominee te manifesteren, dan zou ik deze onderwerpen liever overlaten aan diegene die voelt dat een dergelijke rol hem past.'Deze houding is het meest opvallende verschil tussen Van Haersolte's Inleiding Ethiek en de andere twee boeken. Waar Dupuis in de allereerste plaats haar eigen standpunt naar voren brengt, nodigt Van Haersolte de lezer juist uit tegen hem in te gaan. Waar De Kruijf de bijbel gebruikt als morele autoriteit, onderzoekt Van Haersolte of bijbelse standpunten redelijk zijn.

Wilsvrijheid

Deze houding leidt ook tot inhoudelijke verschillen. De Kruijf begint zijn boek met de vaststelling dat ethiek vrijheid van de wil vooronderstelt. Nu is het een moeilijke filosofische vraag of wilsvrijheid überhaupt bestaat. Dupuis stelt de vraag helemaal niet. De Kruijf constateert slechts dat de wil in het werk van Nietzsche op drift is geraakt, `wat zonde is'. Van Haersolte is de enige die erop wijst dat deze vooronderstelling van de ethiek zowel in strijd is met de christelijke opvatting dat God ons leven heeft voorbeschikt als met het natuurwetenschappelijke uitgangspunt (door quantumfysici verlaten) dat de uitkomst van alle fysische processen, dus ook de mens, vastligt.

Ook in andere vraagstukken richt Van Haersolte zich onmiddellijk op de kern van het probleem: is naastenliefde mogelijk? Weerlegt altruïsme zichzelf niet? Immers, als iemand zich ten doel stelt zijn naaste lief te hebben gelijk zichzelve, staat zijn naastenliefde uiteindelijk ten dienste van het behalen van zijn eigen doelstelling en is hij dus een egoïst. Of niet?

Het boek van Van Haersolte is een boek dat men iedereen die in ethiek is geïnteresseerd kan aanraden. Het boek van De Kruijf is een boek dat men iedereen die in christelijke ethiek is geïnteresseerd kan aanraden. Het boek van Dupuis, daarentegen, is een boek dat men iedereen die in moraal is geïnteresseerd moet afraden. Dat klinkt hard. Maar om haar eigen woorden te gebruiken: `het is volslagen reëel.'

Heleen Dupuis: Over Moraal. Uitgeverij Nieuwezijds, 127 blz. ƒ19,90

R.A.V. van Haersolte: Inleiding ethiek. MD Publishers, 113 blz. ƒ29,50

G.G. de Kruijf: Christelijke Ethiek. Een inleiding met sleutelteksten. Meinema, 187 blz. ƒ35,–