Reve's retoriek

Karel van het Reve kon heel goed, geestig en helder schrijven. Dat werd in veel herdenkingsartikelen nog eens benadrukt, en terecht. Minder terecht is dat in één moeite door de indruk werd gewekt dat alles wat hij in die heldere stijl bestreed ook bestreden moest worden, en dat zijn scherpheid en geestigheid hem een volautomatisch gelijk verleenden. In zijn veel geroemde Huizingalezing, waarin hij ten strijde trok tegen de literatuurwetenschap onder de titel Het raadsel der onleesbaarheid, had hij beslist geen gelijk. Integendeel, het is bijna pijnlijk om iemand zo opzettelijk neerbuigend en kleinerend en spelend op het gevoel van `doe maar gewoon dan doe je gek genoeg' te zien schrijven over interpretatie, structuuranalyse, literaire theorieën etc.

Van het Reve wilde van de literatuurwetenschap antwoord op de vraag waaróm een boek mooi was, waaróm het ene gedicht volmaakt en het andere alleen maar wel aardig was. Die vraag kan de literatuurwetenschap niet beantwoorden en dus, concludeerde Van het Reve, is alles wat ze wel beweert overbodige, gewichtigdoenerige onzin.

Van het Reve's werkwijze in die lezing komt neer op het grofweg samenvatten van bekende literatuurtheoretische inzichten, zoals vertelperspectief (door wiens ogen wordt een gebeurtenis gezien, hoe betrouwbaar is de verteller, zien we alles steeds vanuit hetzelfde perspectief etc.) of het verschil tussen verteltijd en vertelde tijd (jaren kunnen in één zin samengevat worden en seconden bladzijdenlang beschreven) en dan uit te roepen: `Meer dan ik er zojuist over gezegd heb is er voor zover ik heb kunnen nagaan door niemand over gezegd. Maar open nu eens een handboek der literatuurwetenschap: duizenden woorden worden gebruikt zonder dat er ook maar iets meer gezegd wordt dan ik zojuist heb gedaan.' In deze zinnen zie je al dat hij weinig argumentatie wilde inzetten. Tot twee keer toe beweert hij dat hij er `voor zover ik heb kunnen nagaan' nu alles al over heeft gezegd. Wat evident onwaar is, in drie zinnen heb je niet alles gezegd wat er aan verfijning en nuancering op te merken is. Ook maakt hij de kachel aan met onderzoekers die aan bepaalde details een symbolische betekenis willen toekennen: als de schrijver zoiets bedoeld had, had hij het wel gezegd. Dat het helemaal niet interessant is of de schrijver iets op een bepaalde manier bedoeld heeft, maar of iets op een bepaalde manier wérkt, wil er bij hem niet in.

Nu zal niemand bestrijden dat er veel afschuwelijk jargon gebezigd wordt in de literatuurwetenschap, en dat er in die branche heel wat flauwekul op deftige toon te berde gebracht wordt. Net als overal waar meetbaarheid ontbreekt. Dat maakt niet het hele vak verdacht. Van het Reve's lezing was een fraai staaltje retoriek, maar inhoudelijk stelde ze erg weinig voor. Er zijn daarentegen literatuurwetenschappers, ik denk bijvoorbeeld aan A.L. Sötemann of aan de eveneens nog maar kort geleden gestorven W. Bronzwaer, die met hun eruditie en kennis literatuur opgehelderd hebben en die zodoende de lectuur van aandachtige lezers verdiepten. Maar Van het Reve wist alles natuurlijk allang.