Papa en mama weten het niet meer

`Ik weet niet wat ik mijn kinderen mee wil geven', zegt een 45-jarige moeder uit de hogere middenklasse in Van huis uit van Christien Brinkgreve en Bram van Stolk. `Ik wil mijn kinderen niet te strak aan regels houden. Iedereen heeft zijn eigen waarde.' De wens is typerend voor veel ouders in deze bundel sociologische portretten. `Dat ze alles naar vermogen kunnen doen', antwoordt een moeder uit de lagere middenklasse op de vraag naar het doel van de opvoeding. `Leren is belangrijk', denken veel vaders. `Als ze maar gelukkig zijn', vinden de moeders.

Eisen worden er nauwelijks aan de kinderen gesteld en de verwachtingen zijn vaag. En toch breken de ouders zich er het hoofd over: hoe bereid je je kinderen voor op het leven? De zuilen zijn verdwenen, de paden geplaveid. `Ze zijn door ons al gearriveerd', zei een vader. `Wij hadden een heel nauw kanaal om op te klimmen, voor hen is het pad veel breder.'

De meeste ouders groeiden op in de jaren vijftig en zestig. Hun eigen opvoeding was rigide, maar overzichtelijk. De welvaart steeg en onderwijs verd beschouwd als `een heilig moeten'. Op een enkele uitzondering na zijn de geïnterviewden `opwaarts mobiel', ze zijn hun milieu ontstegen.

Voor hun kinderen is volgens Brinkgreve en Van Stolk slechts `circulatie-mobiliteit' weggelegd, de sociale stijging van sommigen impliceert de sociale daling van anderen. De toekomst van je kind is zo ongeveer even voorspelbaar als een spelletje Russische roulette. Daarom hebben de moderne ouders uit Van huis uit het gevoel in het wilde weg te opereren. Een brede vorming en veel diploma's, dat is het veiligst. Ze spreken van kruiwagens en netwerken en noemen eerlijkheid en openheid, behulpzaamheid en verantwoordelijkheid als belangrijke waarden.

Kennelijk vond Christien Brinkgreve die pedagogische aanpak niet bevredigend genoeg, want in haar net verschenen bundel columns en essays Huismensen stelt de sociologe de vraag nog een keer. Wat moeten ouders hun kinderen meegeven? In het essay Je wilt alles voor ze doen schrijft ze dat ouders hopen dat kinderen dezelfde dingen in het leven belangrijk vinden als zijzelf. Ze verwachten loyaliteit, hoewel ze tegelijkertijd vinden dat je van kinderen geen tegenprestaties mag verwachten.

Uit angst de toekomst van hun kinderen te verknallen, stellen ouders zich inconsequent op. Kinderen zijn gewenster dan ooit, en worden gedegen begeleid in hun culturele, lichamelijke en sociale ontwikkeling om hen te behoeden voor diploma-inflatie en sociale tuimeling. Ouders zijn dikwijls zo gepreoccupeerd met de ontwikkeling van hun kinderen dat Brinkgreve spreekt over `verborgen ambities'. `Ze slepen hen naar sport en muziekles, doen allerlei leergierigheid- en kennisbevorderende activiteiten, als om hen breed – en net iets beter dan andere kinderen – toe te rusten voor het verdere leven.'

Het `er zijn voor je kinderen' neemt dwangmatige vormen aan. In Huismensen beconcurreren ouders elkaar met verjaardagspartijtjes en rijden ze hun zoontjes naar popconcerten. Zorgvaders werken krampachtig aan de emotionele band met hun kinderen. Ze zijn eigenlijk een beetje zielig, deze ouders. Slachtoffers van hun zelfontworpen wanhopig-redelijke onderhandelcultuur.

De keerzijde van al die moeite komt voornamelijk aan bod in deel twee van de bundel. Wat gebeurt er als de moeder een veeleisend leven leidt buiten de deur? Ze worstelt met haar geweten. Of ze vlucht in haar werk, omdat ze het daar leuker vindt, zoals de Amerikaanse sociologe Arlie Hochschild beweert. Thuis is het drukker, chaotischer en vaak teleurstellender. Ouders houden dit schizofrene bestaan vol, want ze volgen de strategie van de behoeftenreductie – voor zichzelf en voor hun kinderen. Ze leven als emotionele aspecten en nemen genoegen met minder tijd, minder ontspanning, minder contact en minder steun. Of ze kiezen voor het thuisouderschap en lopen dan een verhoogde kans op depressie – vooral huisvrouwen tussen de twintig en veertig jaar vormen een risicogroep. Ruim vier procent van de vrouwen slikt kalmeringsmiddelen.

Maar ook mannen lijden door hun veranderde sociale positie steeds vaker aan somberheid en lusteloosheid. Hoe sterker vrouwen zich profileren op de arbeidsmarkt, hoe meer macht en prestige mannen verliezen, hoe gevoeliger ze zijn voor depressie. Mannen met een buitenshuis werkende vrouw vertonen daarvan meer symptomen dan mannen met een huisvrouw.

De tweede feministische golf, het ontstaan van de anti-autoritaire opvoeding: Brinkgreve kijkt in haar stukken graag terug naar de jaren zestig. Toch schrijft ze dat ze nooit erg van die periode heeft gehouden. Het is waarschijnlijk de politieke drammerigheid waarmee vraagstukken werden behandeld die haar tegen de borst stuit. In De liefde en de lauweren zegt ze: `Er is een verschil tussen een politieke en een wetenschappelijke houding. Tussen de vraag: wat is goed voor de zaak en de vraag: hoe zit het in elkaar, wat is er aan de hand? Ik ben vooral bezig met het laatste soort vragen.'

Soms knelt dat academische korset. Als ze weer teruggrijpt op een historische schets van het gezin anno 1950 of als ze vijf bronnen nodig heeft voor één column. Dat maakt de redeneringen weliswaar gedegen, maar de conclusies een beetje braaf.

Christien Brinkgreve: Huismensen. Meulenhoff, 144 blz. ƒ25,-

Christien Brinkgreve & Bram van Stolk: Van huis uit. Een onderzoek naar sociale erfenissen. Meulenhoff, 200 blz. ƒ39,90 (herdruk 1997)