Overheid moet voor Koerden opkomen

Een aantal Koerden zit nog in het gevang wegens hun aandeel in de bezetting van de residentie van de Griekse ambassadeur in Den Haag. Ook andere Europese landen hebben Koerden achter de tralies, mannen en vrouwen die in hun woede over de ontvoering van PKK-leider Öcalan uit Nairobi aanleiding zagen om de wetten van het land waar zij verblijven te overtreden. Zij zullen eerstdaags voor een rechter verschijnen en vermoedelijk hun straf niet ontlopen. Op zichzelf is dat weinig bijzonder. Wie zich aan andermans eigendommen vergrijpt, personen gijzelt en met de politie op de vuist gaat, wordt tot de orde geroepen.

Het wiel van de gerechtigheid behoeft dus niet opnieuw te worden uitgevonden. Maar de politieke samenhang der dingen vraagt toch om meer dan gewone aandacht. Nederland, en daarin staat het niet alleen, herbergt een groeiend aantal vreemdelingen. Hun achtergrond is zeer verschillend, maar er valt één categorie te onderscheiden: zij die in hun land van herkomst, of zelfs in dat van hun ouders, de bakens willen verzetten. Sommigen dragen die wens al met zich mee sinds hun aankomst in Nederland, anderen zijn later gepolitiseerd geraakt. Molukkers kwamen naar Nederland onder de belofte aan zichzelf zo snel mogelijk naar Indonesië terug te keren om daar een onafhankelijke Republik Maluku Selatan (RMS) te stichten. Vele Koerden kwamen als Turkse gastarbeiders. Pas de tweede of de derde generatie werd zich bewust van de aspiraties die met haar identiteit samenhangen: de stichting van een vrij Koerdistan of, ten minste, erkenning van een status aparte in de landen waar Koerden een minderheid vormen.

Gewelddadige oprispingen zijn in dit verband misschien niet eens het interessantst. Het gaat veel meer om de frustraties waaruit de ontsporingen voortkomen en om de drang het land van verblijf te betrekken bij het afdwingen van de eigen politieke verlangens elders in de wereld. Dit was manifest bij de gijzelingsacties door Molukkers in de jaren zeventig. Het onvermogen Indonesië op afstand te beïnvloeden, leidde eerst tot bezetting van de Indonesische ambassade. Toen dat niet hielp werden Nederlandse burgers en objecten het doelwit.

Ook van Koerdische kant wordt een beroep gedaan op de regering zich in te zetten voor de Koerdische zaak. De bezetting van de Griekse residentie en de gijzeling van drie personen daar kwamen in eerste aanleg voort uit woede over het zogenoemde Griekse verraad van Öcalan aan de Turken, al snel werd het voorval aanleiding voor verdergaande eisen aan Den Haag. Dat is niet alleen iets om rekening mee te houden, maar het rechtvaardigt ook bezinning op het verleden. Kunnen de Koerden daaruit putten om hun verlangens te rechtvaardigen?

Die vraag kan ook in breder verband worden gesteld. De volkenrechtelijke dogma's van zelfbeschikking van minderheden, van de rechten van de mens, van de bestrijding van agressie, massavernietigingswapens, terrorisme, drugs en mensenhandel en van het bevorderen van het naleven van verplichtingen uit het verleden hebben inmiddels de oudere leer van de soevereiniteit van staten en het beginsel van niet-inmenging overvleugeld. Niet alleen in tal van verdragen en overeenkomsten, maar ook in actieve bemoeienis met en interventie in staten, die bovendien lang niet altijd partij zijn bij die verdragen en overeenkomsten, komt dit tot uitdrukking. Het is dan ook gerechtvaardigd dat er in beginsel grond is voor beroep op regeringen die partij zijn bij internationale regelgeving.

In de kwesties van de Molukkers en Koerden is verder relevant dat de Nederlandse overheid binnenslands voor een coulante opstelling heeft gekozen. De RMS handhaaft hier al jaren een regering-in-ballingschap en een parlement, Molukse organisaties houden bijeenkomsten om hun idealen levend te houden. Stram exercerende geüniformeerden geven er vaak een militair tintje aan. Ook de Koerden wordt niets in de weg gelegd. Zeer tegen de zin van NAVO-bondgenoot Turkije werd enkele jaren geleden in Den Haag ruimte gemaakt voor de oprichting van een Koerdisch parlement dat sindsdien zijn sympathieën voor de PKK van Öcalan niet verborgen houdt.

Het staat allemaal in contrast met het beleid in de Bondsrepubliek. Daar is de PKK als criminele organisatie verboden. Aanleiding was liquidatie van Koerden die de leider niet meer welgevallig waren. Maar ook de Duitse overheid was met de PKK geleidelijk tot een modus vivendi gekomen die het de aanhang mogelijk maakte om ongestraft de kleuren en symbolen van de beweging in het openbaar te tonen, kennelijk in ruil voor de belofte van vreedzaam gedrag. Of de furie rondom Öcalan die ook Duitsland trof aan dit bestand een einde maakt, is onzeker. Wel bleek al in twee zaken dat de rechter niet voornemens is een onbeperkt uitzettingsbeleid van wetsovertreders bij voorbaat te honoreren.

Een vraag is hoe partijen in de toekomst van de hun geboden vrijheid gebruikmaken. Een beroep doen op Den Haag, al dan niet ondersteund met een betoging, om zich sterk te maken voor in het volkenrecht verankerde rechten is één ding, zich te buiten gaan aan intimidatie en chantage is iets geheel anders. En dan gaat het niet alleen om vijandelijkheden tegen de Nederlandse staat en zijn burgers, maar zeker ook tegen onwelgevallige diplomatieke vertegenwoordigingen, andere minderheden en andersdenkenden binnen de eigen etnische groep. Het gaat niet aan, en het zal zich tegen de activisten keren, de verkregen vrijheid naar eigen goeddunken te misbruiken.

Betekent dit dat de staat der Nederlanden, met een beroep op de verleende vrijheid, verder passief mag blijven? Eerder moeten de inspanningen worden opgevoerd om op de geëigende plaatsen voor de rechten en gerechtvaardigde verlangens van hier verblijvende minderheden op te komen. Gezien de ontstane situatie is de overheid dat aan die minderheden, aan zichzelf en aan alle bewoners van dit land verplicht. Handhaving van de orde is onvoldoende.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.