(On)verenigde antropologen

De mens is van oudsher erg geïnteresseerd in de mens, in al haar verschijningsvormen en uitdrukkingswijzen, en heeft daar in mooie boekuitgaven van getuigd. De speculaasplank door de eeuwen heen, Lachen in de Gouden Eeuw, De Indiaan in ons bewustzijn, De geschiedenis van het vuur, standaardwerken op het gebied van jachtwapens, pijpekoppen, numismatiek, keukenkunst, en dan hebben we het niet slechts over titels die in de onderkast zijn beland. Het proefschrift De betekeniswereld van het lichaam (1948) van Joseph Johannes de Witte O.P. is daar wèl in terecht gekomen – een boek om over het hoofd te zien, maar het torent hoog boven gelijkgestemde werken uit.

De manier waarop De Witte psychologische conclusies ontleent aan zijn uitputtend, taalvergelijkend onderzoek is volstrekt eenmalig. Hij gaat deel voor deel het menselijk lichaam langs, legt de internationale benamingen naast elkaar (uit zo ongeveer alle in kaart gebrachte talen, tot marindinees, baree, basoeto, bakongo) en denkt er het zijne van. Een monumentaal werk, met monumentale zinnen als: `Er zijn heel wat Lallwörter die vogeltje, kleintje, meisje, knaap, genitalia in één geheel samenvatten: er is een pi-complex, een pit-complex en de woordbasis pikk-, die steunt op het pikken, openhakken, steken met de snavel, vergelijk picus = specht, put- is wederom zo'n woordbasis en lat. Putus betekent knaap, jochie – vleinaam in het algemeen –, vogeltje, meisje, ook: hoer, penis (vgl. Mnl. pute = lichtekooi, verdorven).' Duizelingwekkend, en dat 450 overvolle bladzijden lang.

Of predikheer De Witte ooit de jaarvergaderingen van de Ethnologenkring, het Nederlands Genootschap voor Anthropologie of de Sectie Niet-westerse Sociologie van de Nederlandse Sociologische Vereniging heeft bezocht valt te betwijfelen. Hij had het er waarschijnlijk te druk voor, en bleef rustig zitten tussen de kasten vol deelstudies en woordenboeken in zijn kloostercel. Wellicht hadden hem lezingen over onderwerpen als `ontstaan en herkomst van het Indonesische rijstmeisje', `de religie van de Semang-pygmeeën van Malaka', `de blaaskwintencirkel', `het doorverkopen van de echtgenote bij de Boeloes' wel geïnteresseerd, maar op de jaarlijkse ethnologendagen zal hij zijn gezicht zeker niet hebben laten zien: `Wat daar werd geleuterd was ergerniswekkend en de steeds hun spreektijd overschrijdende kletskousen verdroegen het slecht als hun voordracht door de voorzitter werd afgebroken.'

De laatste getuigenis is te vinden in J.J. de Wolfs behartigenswaardige overzicht van honderd jaar geschiedenis van de verschillende organisaties, die zich hebben beziggehouden met de bevordering en beoefening der culturele antropologie: Eigenheid en samenwerking. Een geschiedenis met een ontwikkeling: samenwerking met fysisch antropologen (geïnteresseerd in schedelomvang en hersengewicht) en archeologen werd langzamerhand ingeruild voor aansluiting bij sociologen. Het zal de wetenschap goed hebben gedaan, maar voor de historicus is die beweging betreurenswaardig en de antropoloog der antropologen vindt in de eerste decennia na de oprichting van de Nederlandsche Anthropologische Vereeniging (1898) stellig meer merkwaardige gewoonten en opvattingen dan in later jaren.

J.J. de Wolff toont zich een gewetensvol historieschrijver, die met toewijding het verenigingsleven van volkenkundigen heeft vastgelegd. Niet overal even boeiende stof, maar de parels zijn er, voor wie de genootschapsbestuurlijke modder niet vreest. Mooi is bijvoorbeeld hoe Vereenigings-oprichter en Zeeuwse-schedelmeter Sasse de autochtone reacties beschrijft, als hij samen met Papoea-onderzoeker Koch veldwerk op Urk begint: `Men meende ons van oneerbare handelingen te moeten betichten en eentje wilde ons zelfs te lijf.' En fraai is de eenvoud van de redenering die J.J. Fahrenfort in 1927 tijdens een volkenkundigendag aan zijn publiek voorlegt. Collega's hadden de opvatting gehuldigd dat de pygmeeën `op een trap waren blijven staan, die de hogere rassen overschreden hebben'. Zo zouden de pygmeeën het dichtst staan bij de oermens. Ze zouden daarmee ook het dichtst bij een oer-religie staan. Onzin, zegt Fahrenfort, onderzoek wijst uit dat de Pygmeeën hun godsdienst uit die van langere stammen hebben samengesteld. Weg hypothese.

Zoals we bij J.J.Voskuils naargeestige Het Bureau de belangrijke studies niet mogen vergeten van het door hem beschreven volkskundige P.J. Meertens Instituut, zo is het ook van belang te onthouden dat de antropologische verenigingen in ons land van groot nut zijn geweest. En toch trekt het oog ook in Eigenheid en samenwerking onwillekeurig naar kneuterigheden à la Het Bureau. Zo nam De Wolf een verslag op van de studiedag `Antropologie in Europa in 1983': `Na een korte theepauze gaat de discussie verder. (...) Na een uur heft hoogleraar Boissevain de handen ten hemel en roept uit: Laten we in vredesnaam over wetenschap praten! Maar het helpt niet. Zo eindigt wat een boeiende studiedag had kunnen worden in een sfeer van hopeloze verwarring en ingehouden irritaties.'

Genootschappen en verenigingen, hoe belangrijk ook: kneuterigheid, rivaliteit, kleinzieligheid. Je hoeft geen antropoloog te zijn om dat te weten. Eén bezoek aan de jaarvergadering van het Multatuli-genootschap leert hetzelfde. Gelukkig hebben we altijd het werk van Multatuli om naar terug te keren, Sasse's voortreffelijke Urk-studie, of pater De Wittes De betekeniswereld van het lichaam: `Over de tenen spraken we reeds bij de vingers, we delen alleen nog mee, dat de andamanen de grote teen noemen ön-u-kwo-tabe = hoofd (tabe) van de voet.'

J.J. de Wolf: Eigenheid en samenwerking. 100 jaar antropologisch verenigingsleven in Nederland. KITLV Uitgeverij, 156 blz. ƒ40,–