Moord in Venetië

De Premio Planeta is een van de belangrijkste literatuurprijzen van Spanje. Dat heeft minder te maken met het literaire belang ervan dan met het tot de verbeelding sprekende prijzengeld van meer dan een half miljoen gulden. Er staan voor de uitgeverij Planeta, die de prijs toekent en het winnende boek uitgeeft, dan ook grote belangen op het spel. Dat hoeft de kwaliteit van het bekroonde boek niet in de weg te staan, zoals Antonio Muñoz Molina in 1991 met zijn prachtige roman Ruiter in de storm bewees. Maar hardnekkig zijn niettemin de geruchten dat de uitkomst van de prijsvraag al lang van tevoren bekokstoofd is en dat de winnende boeken soms zelfs op uitdrukkelijk verzoek van uitgeverij Planeta door geheide succesauteurs (Vargas Llosa, Cela) werden geschreven.

Dat was met de roman Noodweer van de jonge schrijver Juan Manuel de Prada (Premio Planeta 1997) ongetwijfeld niet het geval. De Prada was pas twee jaar eerder gedebuteerd met een bundel cursiefjes onder de nogal bedenkelijke titel Coños (Kutten), waarna een verhalenbundel was gevolgd en een roman over de literaire bohème uit het begin van de eeuw. En toen was er plotseling La tempestad, genoemd naar het beroemde schilderij van Giorgione dat in het Nederlands meestal Het onweer heet, maar dat in de vertaling van het boek de naam Noodweer heeft gekregen.

Wellicht heeft uitgeverij Planeta met dit boek het enorme succes willen evenaren van Arturo Pérez-Reverte die met zijn vlot geschreven avonturenboeken, gedrenkt in gemakkelijk consumeerbare eruditie, binnen en buiten Spanje enorme oplagen bereikt. Of hij zijn verhalen nu situeert in de wereld van de antiekhandel en renaissance-kunst, de barok en het katholicisme of het negentiende-eeuwse feuilleton en de iconografie, steeds kietelt Pérez-Reverte het lezerssnobisme genoeg om zich verheven te weten boven de triviaalliteratuur waartoe zijn boeken in elk ander opzicht behoren.

Precies hetzelfde doet Juan Manuel de Prada in Noodweer, een `roman over de kunstwereld van Venetië', zoals de Nederlandse uitgever op de kaft toelicht. Dat voorspelt voor die kunstwereld niet veel goeds, want het is een en al corruptie die De Prada zijn hoofdfiguur Alejandro Ballesteros laat ontdekken. Hij is een jonge docent kunstgeschiedenis die kort daarvoor op de symboliek van La tempesta is gepromoveerd, en naar Venetië komt om - wel wat laat - zijn hypothesen aan het echte doek van Giorgione te toetsen. Al op de eerste dag van zijn verblijf is hij getuige van een moord en vanaf dat moment wisselen de schilderijenvervalsingen, kunstdiefstallen en hitsige miljonairsvrouwen elkaar in hoog tempo af. Ten slotte blijkt de iconografie van Noodweer een sleutelrol te spelen in de oplossing van het raadsel waarin Ballesteros terecht is gekomen. De Nederlandse uitgever was zo vriendelijk een afbeelding van het schilderij op het achterplat af te drukken,anders waren de interpretaties van het doek die De Prada laat passeren nauwelijks meer te volgen geweest. Dat een zeker snobisme hem niet vreemd is, wisten we al sinds hij in zijn kuttenboek schreef liever te masturberen met een afbeelding van Velázquez' Venus met de spiegel dan met een blaadje van de straat. In Noodweer geeft hij zichzelf alle ruimte om zijn eruditie te etaleren en op de beste momenten leest het boek als een aardige cursus renaissance-iconografie. Maar wat daarvan het hoogtepunt had moeten zijn, Ballesteros' eigen interpretatie van het schilderij die alle andere in de schaduw moet stellen, vormt in werkelijkheid een pijnlijke anticlimax die onwillekeurig alle pretenties van het boek in zijn val meesleept. Het is alsof De Prada dat zelf ook heeft beseft. Aan het einde van zijn roman laat hij Ballesteros de kunst omhelzen als een loutere `religie van het gevoel', zonder intellectuele hoogstandjes, zoals kunstrestauratrice Chiara, op wie hij in Venetië verliefd geworden is, hem heeft voorgehouden. Een duizelingwekkend inzicht kun je ook dat niet noemen, en in zijn simpelheid minstens zo betwistbaar als alle academisme. Maar aardig is wel dat De Prada zijn hoofdfiguur ondanks alles in de netten van dat laatste achterlaat. Hoewel hij er niets meer van gelooft, is hij in het epiloog-achtige slothoofdstuk toch de hoogleraar kunstgeschiedenis geworden die hij aanvankelijk wilde zijn: een functionaris die een komedie opvoert, omdat hij niets anders kan en de wereld dat van hem verwacht. Dan krijgt het boek even iets wrangs en een diepte die in de rest ervan ontbreekt. Noodweer is geen bijzonder goede, maar wel een leesbare roman. Het is, ironisch genoeg, juist een gebrek aan technisch vakmanschap dat De Prada behoedt voor de àl te gladde stijl van Pérez-Reverte. Terwijl diens romans voortrollen met het kunststoffen gemak van fabrieksproducten, blijft er bij De Prada onwillekeurig iets van de ongelijkmatigheid van het handwerk en de weerbarstigheid van natuurlijk materiaal voelbaar. Zeker niet onwillekeurig is de grotere subtiliteit van De Prada's personages, die te verkiezen zijn boven de soap-achtige figuranten die Pérez-Reverte laat opdraven. Bij de laatste zijn heldinnen van het verhaal zonder uitzondering beeldschoon, geestig en intelligent, maar De Prada schroomt niet een pensionhoudster over wie Ballesteros in zijn eerste Venetiaanse nacht wegdroomt van cellulitis te voorzien en zelfs de neus van de zoveel aantrekkelijkere Chiara een ietsje scheef te laten staan.

Juan Manuel de Prada: Noodweer. Uit het Spaans vertaald door Aline Glastra van Loon., Arena, 316 blz. ƒ39,80