Met trillende benen het bos in

Autobiografische boeken wordt steeds populairder, maar volgens Herman Franke geeft de schrijver zich juist bloot in zijn verbeelding.

De werkelijkheid bestaat niet in de literatuur. Alles is fictie. Dat vond ik en dat vind ik nog steeds, maar veel beter dan toen kan ik nu vertellen waarom. Dat komt omdat ik mijn laatste roman als titel De verbeelding meegaf en er vorig jaar een mooie prijs mee won. Daarna werd mij op heel wat literaire avonden gevraagd die titel te verantwoorden. `De verbeelding' vond ik om veel redenen een mooie titel, maar ik besefte natuurlijk ook drommels goed dat ik het boek daarmee plaatste tegenover de sterk autobiografische of zogenaamde realistische literatuur die de laatste jaren zo de wind in de zeilen heeft. Uit de hartstochtelijke discussies heb ik geleerd dat er belangrijke misverstanden heersen over verbeelding en werkelijkheid in de literatuur.

Die misverstanden doen geen recht aan wat schrijven is en wat literatuur is. Ze moeten de wereld uit, om te beginnen het misverstand dat fictie een vlucht zou zijn. De schrijver zou met verzinsels heendraaien om wat hij (of zij natuurlijk) wil maar niet durft te zeggen. Hij verschuilt zich achter zijn fantasie. Fictie, zo las ik zelfs ergens, is `omslachtige flauwekul'.

Dit misverstand is oud en hardnekkig. De schrijver zoals hij werkelijk is, schreef W.F. Hermans al in Mandarijnen op zwavelzuur, vormt in veler ogen betere lectuur dan wat de schrijver verzint. Zij geven de voorkeur aan romans die niet zijn samengesteld, waarin de verhalende elementen niet gerangschikt worden maar louter opeengestapeld en opgeteld. Arrangeren en componeren wordt verfoeid en getypeerd als `trukage, liegen en comedie spelen'.

Hermans schreef dit in het begin van de jaren zestig. Hij had het nog over een spraakmakende minderheid die zijn sadistische universum niet beliefde. Inmiddels lijkt het om een meerderheid te gaan, maar misschien betreft het vooral uitgevers, critici en schrijvers die in de media het hoogste woord voeren. Ze beweren dat de literatuur door al dat journalistieke straatrumoer en al die dagboek-achtige notities over de schrijver zelf, zijn werk en zijn familie juist meer kloten heeft gekregen en oprechter is geworden. Het schrijven uit de verbeelding vinden zij vrijblijvend. Verhalen die het eigen leven en de werkelijkheid van alledag tot uitgangspunt nemen, typeren zij als kwetsbaarder, genadelozer, noodzakelijker, eerlijker en als wat al niet meer. Schrijvers die alles verzinnen zouden zichzelf buiten schot houden.

Zij hebben het bij het verkeerde eind, zelfs als de boeken die zij met deze argumenten bewieroken heel mooi zijn. Wie ooit met een leeg blad en een vol hart achter de schrijftafel heeft gezeten om een mooi, schrijnend verhaal te verzinnen, weet dat elke zin uit zijn dromen of nachtmerries komt. Evenals dromen en nachtmerries verraden verzonnen verhalen je emoties en gedachten. Onverhuld doen ze zich gelden. Juist in zijn verbeelding, geeft een schrijver zich bloot, vaak zonder dat hij het zelf in de gaten heeft, want tijdens het schrijven verzínt hij en doet hij niet aan psycho-analyse of droomduiding. Zijn verhalen en zijn personages betrappen hem op zijn obsessies, passies, angsten, trauma's, perversiteiten, zwakheden en wanen; ze openbaren wat hij dacht te verzwijgen, ze onthullen zijn miezerigste drijfveren en sentimenten. Hij loopt het risico meer van zichzelf te weten te komen dan hem lief is. Naar zijn gevoel ligt hij voor zijn lezers naakt op tafel, beschenen door genadeloos neonlicht. In die zin is echte fictie pas wérkelijk autobiografisch: weerloos, kwetsbaar, pijnlijk, en, als het goede fictie is, schrijnend. De verhalen van Malamud wel eens gelezen? Of Nabokov's Lolita? Of wat te denken van Kafka?

Omgekeerd loopt juist een autobiografisch schrijver veel sterker dan een schrijver die uit zijn verbeelding put, het gevaar dat hij gaat poseren, censureren, ijdeltuiten, polijsten, verdraaien en liegen om zijn zelfbeeld een beetje prettig te houden, zijn schuldgevoel te sparen, zijn angsten te bezweren of wraak te nemen op mensen uit zijn omgeving. Dat zijn op zich heel goede drijfveren voor een schrijver. Maar is hij eerlijker? Oprechter? Bij zijn selecties, interpretaties en leugens zouden dan alleen de eisen van een goed verhaal een rol moeten spelen. Hoeveel schrijvers zijn zo hard voor zichzelf? De goede, ja, maar de goede schrijven altijd mooie, eerlijke boeken, ook al liegen ze dat ze barsten. Een schrijver mag liegen, ja móet liegen, maar alleen voor het verhaal, niet voor zichzelf, vind ik. Voor wie heel rechtstreeks zijn eigen leven als inspiratiebron neemt, is het moeilijk om niet te liegen uit eigenbelang. Wel eens mannen de waarheid horen spreken over de vernederende blauwtjes die ze gelopen hebben? Als ze erover vertellen lijkt het al gauw of zij juist hun meisje hebben afgewezen.

Als je uit je verbeelding schrijft, komt er vroeg of laat een verhaal in je op dat je genadeloos laat vertellen hoe het voelt om smadelijk aan de dijk te worden gezet. In verhalen moet je jezelf niet willen beschermen of voor de gek houden. Ik wacht liever op de dag dat mijn personages in een relationele crisis terecht komen, zodat ik als schrijver frank en vrij keihard, vol begrip, genadeloos en lief voor hen kan zijn. Ben ik dan tegen autobiografische romans? Natuurlijk niet, maar het is niet zo dat autobiografische verhalen bij voorbaat eerlijker, oprechter of kwetsbaarder zijn dan verzonnen verhalen.

Een ander groot misverstand is dat autobiografische of zogenaamd waar gebeurde romans `werkelijker' zijn dan romans die vanuit de verbeelding zijn geschreven. Zij zouden dieper doordringen in `de werkelijkheid' dan fictie. Verzonnen verhalen zouden zich daarentegen aan de werkelijkheid onttrekken. Nabokov maakte korte metten met dit soort beweringen. `Een verhaal een waar verhaal noemen is een belediging, zowel van de kunst als van de waarheid', zei hij. En natuurlijk, elke roman staat vol leugens en bedrog, ook als de schrijver zelf zegt dat het niet zo is. `Ik kan niets verzinnen', hoor je een schrijver wel eens staalhard beweren. Nee, behalve de leugens die je verzonnen hebt, denk ik dan. Want kunst en waarheid verdragen elkaar niet.

Blijft de vraag of autobiografische of `realistische' romans dieper in `de werkelijkheid' doordringen dan echte fictie. Het is maar wat je onder `de werkelijkheid' verstaat. Voor mij is de werkelijkheid niet meer dan `iets', dat in talrijke gedaanten, gedachten en gevoelens een schijn van werkelijkheid aannremt. Die schijnwerkelijkheid zit in onze hoofden; zij schept orde in de existentiële chaos. En dat is maar goed ook want anders zouden we overmand worden door angst en onbegrip.

Iedereen die een geliefde of nabije dode te betreuren heeft gehad, voelt dat voor korte of lange tijd heel sterk. Sommigen raken voorgoed het vertrouwen in de werkelijkheid kwijt. Want als dood kan, is alles schijn. Van sommige romans gaat hetzelfde effect uit, bijvoorbeeld Nooit meer slapen van W.F. Hermans.

Dé werkelijkheid bestaat niet. Iedereen leeft meer of minder sterk in een eigen werkelijkheid, vol persoonlijke gevoelens en met een eigen logica. Wat mensen delen is een schijnwerkelijkheid, of zoals Frans Kellendonk het in een van zijn essays beschreef, `een menselijke doorsnee of plak van de werkelijkheid, een smal reepje van een groot en pikkedonker bos zoals dat, vol valse schaduwen en spookachtig verkleurd, oplicht in het schijnsel van een zaklantaarn'. Dit is een heel mooie beschrijving, vooral omdat je meteen inziet dat de zaklantaarn zich ook – in andere culturen en in andere tijden – op een ander reepje kan richten. Brr, wat een groot en donker bos is dat.

Begrijpelijk dus dat we op dat smalle reepje bij elkaar kruipen en ons er maar af en toe buiten durven begeven. Maar misschien is het op andere plaatsen in dat bos wel goddelijk toeven. Het kan, maar we weten het niet. Metafysische grootsprekers willen ons steeds weer doen geloven dat zij het wel weten. Ze verspreiden al eeuwenlang met wisselend succes godsdiensten en gedachte-systemen die het donkere bos wat minder donker doen lijken voor goedgelovigen.

De afgelopen eeuw is daar een dominante grootspreker bijgekomen: de massamedia. Zij zeggen niets over het donkere bos, zij stellen gerust door het smalle reepje van Kellendonk zo hel te verlichten dat velen voorbij zien aan het donkere bos eromheen. Aan de dwingende kracht van de voorgebakken media-gevoelens, denkschema's en opvattingen valt steeds moeilijker te ontsnappen. En zo komen mensen er toe zelfs het mysterie van de dood met de grasmat van Ajax te bedekken. Of zij voelen echt verdriet bij de dood van een mediaprinses.

Het treurige is nu dat in steeds meer hedendaagse zogenaamd realistische of autobiografische romans slechts dat ene kleine reepje bos betreden en beschenen wordt. Veel uitgevers en lezers vinden dat een goede zaak. Zij willen `de werkelijkheid', aan fictie en fantasie hebben zij geen boodschap. De kranten en weekbladen zijn hun niet genoeg. Bepaalde schrijvers en journalisten lopen elkaar ineens vreselijk in de weg op het smalle reepje grond. Journalisten die menen bij uitstek over `de' werkelijkheid te schrijven en schrijvers die hun fantasie niet aanspreken en eigenlijk journalisten willen zijn.

Maar wat mij betreft wijkt de literatuur af van het smalle bospaadje en begeeft zich met trillende benen in het grote donkere bos met alle angsten, gevaren en chaos die daar heersen, en waar niets zeker is. Literatuur die dat durft is niet onecht maar juist akelig werkelijk. Beckett wel eens gelezen? Of Faulkner? Zulke onthechte literatuur werpt een blik in de afgrond van het bestaan. Die blik kan ijzingwekkend, verontrustend, gekmakend zijn, maar ook adembenemend mooi en troostend. En daarvoor moet je als schrijver wel je verbeelding durven vrijlaten en ook wel eens even je eigen leven, je familie of het bureau durven vergeten.

Mij is natuurlijk gevraagd of ikzelf in De verbeelding het donkere bos heb betreden. Ik heb dat in ieder geval geprobeerd. Niet op elke bladzijde even ver want ik wil ook wel eens rustig slapen, maar in heel wat passages heb ik inderdaad de stoute schoenen aangetrokken. Er is bijvoorbeeld een hoofdstuk waarin een man maandenlang elke dag vol schuldgevoel naar de plek kijkt waar zijn dochtertje is overleden en daarna kijkt dat meisje uit haar graf terug naar hem. In een ander hoofdstuk lijdt een meisje onder de angst voor beestjes die haar soms van binnenuit dreigen leeg te vreten als ze niet snel een orgasme krijgt met welke man dan ook. Er is ook een man die vlucht in een bizarre, obsessieve verzameldrift. En op de een of andere manier spelen die verhalen zich af in het hoofd van een beroemd standbeeld (Nelson) dat obsessief verlangt naar het weerzien met zijn geliefde, al was het maar in de vorm van een portretje. In enkele verhalen laat ik verschillende personen dezelfde gebeurtenissen beleven, waardoor je goed voelt hoe paradoxaal en multi-interpretabel `de werkelijkheid' is.

Dat kun je allemaal een vlucht in de fantasie noemen maar ik voelde tijdens het schrijven juist dat ik verder in de geheimen van dood, schuld, seks en liefde doordrong dan ik ooit gedaan had. Gelukkig heb je als schrijver altijd gelijk.