Karel van het Reve: Het geloof der kameraden, 1969

De Amsterdamse Koopmansbeurs was in 1969 het toneel van een vergadering (`teach in') waar Mao's Culturele revolutie massaal en dwingend werd bejubeld. Datzelfde jaar werd het bestuurlijke universiteitscentrum in die stad, het Maagdenhuis, bezet door radicaal-linkse manifestanten. Studenten in de politieke wetenschappen kregen als verplichte literatuur Ger Harmsens zojuist verschenen Marx contra de marxistische ideologen te lezen, een boek over de actualiteit van de marxistische ideologie als inspiratiebron voor de strijd tegen het kapitalistische establishment.

Datzelfde establishment begon in deze periode de Sovjet-Unie als respectabele natie te ontdekken. In 1969 werd Willy Brandt kanselier van de Bondsrepubliek en Richard Nixon president van de Verenigde Staten. De eerste stak met zijn `Ostpolitik' Moskou de verzoenende hand toe. De tweede zag zich als leider van de kapitalistische grootmacht, die in Vietnam door het communisme in het nauw was gedreven, genoodzaakt de Sovjet-Unie het aanbod te doen om in het kader van een `ontspanning' haar verdiende plaats in de kring der beschaafde naties in te nemen.

Men moest wel een dwarse dwaas zijn om juist in datzelfde jaar een boek te publiceren waarin met veel geduld en volharding werd uitgelegd waarom de marxistische-leninistische ideologie, het fundament van de Sovjetstaat, allerminst respectabel was en al helemaal geen populariteit verdiende. In Het geloof der kameraden, volgens de ondertitel een `kort overzicht van de communistische wereldbeschouwing', toetst Karel van het Reve de inhoud van deze leer aan haar eigen pretenties. Het marxisme-leninisme meende niet minder dan de wetenschappelijk juiste uitleg van de historische ontwikkeling en ook nog de sleutel tot de vooruitgang van de mensheid te verschaffen.

Alle essentiële hoofdstukken van de communistische doctrine – het historisch materialisme, de dialectiek, de klassenstrijd, de vestiging van de klassenloze samenleving – komen bij Van het Reve op de snijtafel. Hij blijkt niet alleen het werk van de klassieken (Marx, Engels, Lenin) goed te kennen, maar ook dat van hun belangrijkste interpreten (van Kautsky tot Plechanov en Pannekoek), alsmede de inhoud van de officiële Sovjethandboeken. Zijn conclusie luidt dat deze leer, die de opstand van het proletariaat beschrijft als een onvermijdelijkheid die zal leiden tot de bevrijding van de gehele samenleving, is opgebouwd uit beweringen die als objectieve wetten worden gepresenteerd, maar niet door bewijzen worden ondersteund en slechts met willekeurige voorbeelden worden geïllustreerd. Alleen dankzij het ingewikkelde taalgebruik en de vage formuleringen waarin deze wereldbeschouwing grossiert, is het voor communistische leiders mogelijk zich te presenteren als spreekbuis en voertuig van de noodzakelijke gang der dingen.

Van het Reve is in dit boek niet alleen de al vaak geroemde schepper van glashelder proza. Hij blijkt ook een auteur die goed kan denken en doordenken. Nog steeds verrassend is zijn observatie dat de communistische ideologie uit een merkwaardige combinatie van dogmatisme en relativisme bestaat. Aan de ene kant zijn de leerstellingen onaantastbaar. Maar aan de andere kant verwerpt deze ideologie de stelling dat een bewering en de ontkenning van deze bewering niet tegelijk waar kunnen zijn. Dergelijke logica is volgens de communistische doctrine primitief en inferieur aan de hogere logica van de dialectiek, de formule van de eenheid der schijnbare tegenstellingen. Dankzij deze dialectiek, die de partijleiding in staat stelt vandaag een standpunt in te nemen dat gisteren nog in strijd met de objectieve waarheid heette te zijn, is elke bewering in aanleg bewijsbaar juist – en dus, voegt Van het Reve eraan toe, wetenschappelijk zinloos. Zou hij langer gezond zijn gebleven, dan had hij het afgelopen decennium vermoedelijk een grondig essay gewijd aan de overeenkomsten tussen het postmodernisme, dat alle beweringen opvat als een kwestie van interpretatie, en het marxisme dat als intellectuele mode voorganger van en voorbeeld voor het postmoderne relativisme was.

Rudy Kousbroek heeft vorige week gewezen op het `pantser van ironie' waarmee Van het Reve zich zou hebben omgeven. Spotzucht ontbreekt ook in Het geloof der kameraden zeker niet, zoals bijvoorbeeld in de passage waar de schrijver de in het kader van de dialectiek zo belangrijke begrippen `kwantitatief' en `kwalitatief' op de korrel neemt: `Het klinkt oneerbiedig, maar Marx, Engels, Lenin, Stalin en Chroesjtsjov, de Academie van Wetenschappen der USSR, Jan Romein, Sam de Wolff, Paul de Groot, Henri Lefebvre, Jean-Paul Sartre en de gezamenlijke filosofen van Peking, Beograd en Tirana kunnen de schrijver van deze regels niet uitleggen waarom het verschil tussen warm en koud water van `kwantitatieve aard' is en het verschil tussen ijs en water `kwalitatief'.

Maar ironie en humor worden in dit boek opvallend overheerst door een ernst die niet alleen tot uitdrukking komt in de grondigheid waarmee Van het Reve marxistische leerstellingen ontleedt. Er vallen termen als `afstompend', `ellendig' en `krankzinnig'. De partij, die volgens de communistische reglementen functioneert volgens democratische procedures maar waarin de leiding alles dikteert, wordt getypeerd als een `mensonterend gekkenhuis', beheerst door leugenachtigheid, verdachtmakingen en repressie. Wat Van het Reve vooral met ingehouden woede blijkt te vervullen, is dat de communistische beweging de offervaardigheid en loyaliteit heeft misbruikt van zoveel `zachtmoedige en eerlijke lieden', die vervuld waren van een hooggestemd ideaal.

Het is duidelijk dat hij het communistische geloof niet slechts wil analyseren, maar met zijn verstand wil vermorzelen – alsof er iets in te halen valt. De toon van dit boek wekt de indruk dat Van het Reve, die uit een communistisch milieu kwam en tot enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog een gelovig marxist en CPN-stemmer was, wordt beziggehouden door de vraag hoe het mogelijk was dat niet alleen zijn eigen vader, maar ook hijzelf zich door deze mythe heeft laten bedwelmen. In zijn inleiding merkt hij op dat zijn boek is geschreven uit fascinatie met de ware gelovige, `waarbij men in het oog moet houden dat het vaak de beste mensen zijn die het langst, het diepste en het trouwst geloven'.

Anders dan bij vele andere ex-communisten ontaardt deze fascinatie bij hem echter niet in een obsessie met de aantrekkingskracht van het communisme. Hij kent de verlokkingen en somt ze op: het allesverklarende karakter, het verlangen naar de zuiverende omwenteling en de totale verlossing. Maar hij toont een minstens even scherp oog voor de kwetsbaarheid van deze ideologie. Logisch gesproken had de revolutionaire dadendrang van communisten iets overbodigs. Hun overwinning was immers niet alleen een wensdroom, maar ook een onvermijdelijkheid. De uitkomst van de historische ontwikkeling stond wetenschappelijk vast. De twijfel die dat dogma kon oproepen, wordt door Van het Reve schitterend samengevat: `Tegenover de zekerheid van de overwinning, komt de zinloosheid van de eigen inzet te staan'.

Al in 1955 had Raymond Aron in zijn L'opium des intellectuels de communistische doctrine vergeleken met de christelijke heilsleer. Van het Reve wijst in zijn boek echter op een ernstig nadeel waarmee het communisme te kampen heeft. In het Christendom heet de zaligheid na de dood te zullen komen. Niemand kan navertellen of die belofte wordt ingelost, wat het des te gemakkelijker maakt te blijven geloven. De vestiging van het communistische heil is daarentegen een aardse aangelegenheid, die dus verifieerbaar is.

Van het Reve wijst erop dat in de loop van de jaren '60, op een moment dat het marxisme aan Westerse universiteiten opgang begint te maken, de geloofsafval in het Oostblok al groot is. Hoe langer het communistische stelsel zijn burgers in plaats van het beloofde paradijs van de klassenloze samenleving slechts armoedige omstandigheden biedt, aldus de schrijver van Het geloof der kameraden, hoe kwetsbaarder het zal worden. Twintig jaar later, in 1989, stortte het bouwwerk in elkaar.

Karel van het Reve: Het geloof der kameraden. Kort overzicht van de communistische levensbeschouwing. Van Oorschot, 1969.