Karakter

Soms wordt me wel eens bezorgd gevraagd of ik niet te veel doe. Meestal antwoord ik dat het vanzelf gaat, maar dat ik het niet uitgesloten acht dat ik morgen in één klap word weggevaagd. Ik ben meer iemand van een hartaanval of een hersenbloeding dan van kanker. Denk ik.

Affaijn, zou Martin Bril zeggen.

Aan de andere kant is het een kwestie van discipline en efficiency. Maar bovenal is hard werken het vermogen om een saai leven te leiden. Met roken ben ik gestopt en drinken doe ik nauwelijks meer. De vraag naar wie ik ben, heeft mijn aandacht verloren. Een oninteressante vraag, geen tijd voor. Het zoeken naar de eigen identiteit is voor mensen die niks beters te doen hebben. Toch gaat het mij hier niet om de vraag wat een mens aankan, maar om iets anders. Om de vraag of de mens een karakter heeft waarmee hij (of zij) wordt geboren en hij (of zij) doodgaat. Of hij (of zij) een kern heeft die tijdens zijn (of haar) leven onveranderd blijft.

Tot mijn dertigste hing ik graag in cafés. De rest van de dag sliep ik uit. Soms had ik een vriendin die overdag uit werken ging. Voor de rest lag ik in bed. De pooier. Af en toe schreef ik een stukje, omdat er geld verdiend moest worden om de café-rekening te betalen. Het schrijven van dat stukje kostte me onnoemelijk veel moeite. Meestal staarde ik lang naar het papier zonder dat er iets gebeurde. Als het twee uur 's nachts was, liet ik het schrijven voor wat het was en ging ik naar buiten.

Daar stond de maan hoog aan de hemel. Ik spreidde mijn armen en begon met hoge stem de gevoelens in de richting van het universum te hollen, wat meestal betekende dat ik bij een café uitkwam. Met Dirk Ayelt Kooiman, die op dezelfde kousenvoeten door de stad liep, heb ik toen nog een literair tijdschrift opgericht dat geloof ik Soma heette, maar waarvoor ik, als ik het mij goed herinner, nooit één letter heb geschreven. Om de een of andere manier wilde het niet lukken. Martin van Amerongen, die het toen al betreurde dat een week maar zeven dagen heeft, voegde mij eens toe ,,dat ik nog te lui was om Oblomov uit te lezen''.

Waar heeft de omslag plaatsgevonden? Eerlijk gezegd heb ik geen idee. Van bekeerde christenen hoor je wel eens dat er een heel specifiek moment is geweest waarop zij het licht hebben gezien. Van bekeerde freudianen hoor je wel eens dat er een traumatische gebeurtenis is geweest die hun leven heeft veranderd. Van getrouwde mensen hoor je wel eens dat het huwelijk hen tot verantwoordelijkheid heeft gebracht. Maar bij mij niets van dat alles. Ik heb nooit iets overwogen of gepland. Wel kreeg ik het gevoel dat ik bezig was langzaam van een helling af te rollen, maar of ik daarvoor eerst een berg had beklommen, kon ik mij niet herinneren.

Ondertussen ben ik mij gaan realiseren dat ik nog maar weinig lijk op de man die in de cafés hing die niets wist af te maken. Hoort die man nog wel bij mij? Is het waar dat ik hem echt ben geweest? De man van toen en de man van nu hebben nog maar weinig overeenkomsten. De man van toen had een vader, de man van nu is een vader. De man van toen had een andere vrouw en andere vrienden dan de man van nu. De man van toen was 1,74 m lang, de man van nu niet meer. Zelfs de schoenmaten zijn niet helemaal meer hetzelfde. De man van toen was altijd blij om anderen te zien, de man van nu niet meer. De man van toen was om te blazen door elke afwijzing, de man van nu blijft koud onder de meeste kritiek. De man van toen dacht, voor zover hij iets dacht, aan feesten en slapen, de man van nu denkt af en toe aan de dood. De man van toen leefde, de man van nu werkt.

Er wordt vaak beweerd dat schizofrenie een afwijking van het brein is, een ziekte die je mogelijk al bij je geboorte hebt meegekregen, maar misschien komt schizofrenie voort uit de veranderingen die de tijd met zich meebrengt. In dat laatste geval kan niemand eraan ontsnappen en is het vooral zaak al die verschillende levens bij elkaar te houden. In je jeugd heb je nog maar één leven en dan kun je je permitteren om lui te zijn. Later, als er levens bijkomen, wordt het passen en meten. Integreren en ordenen. Werken om niet gek te worden.