In de loop van de verhoren is er voor de Kamer een biechtaspect bijgekomen

Uit zowel de Bijlmerenquête als het Franse bloedschandaal blijkt dat politici wegvluchten voor het principe van de ministeriële verantwoordelijkheid. Marc Chavannes meent dat de democratie hierdoor wordt beroofd van een vitaal vertrouwensritueel.

De zaken zijn onvergelijkbaar. Behalve dat ze de kern van de democratie raken. In Frankrijk zijn 4.000 mensen midden jaren '80 door bloedtransfusies besmet geraakt met aids; 600 van hen zijn overleden. In de Amsterdamse ramp met het El Al-vliegtuig in oktober 1992 zijn 43 mensen omgekomen; tientallen betrokkenen kampen nog met ernstige en onopgehelderde gezondheidsproblemen.

In beide gevallen is ontzetting over een ramp omgeslagen in een scala van klachten over het functioneren van het openbaar bestuur. Zeker toen feiten en vermoedens aan de oppervlakte kwamen over achtergehouden informatie, uiterst gevaarlijke lading, respectievelijk over het om economische redenen `opmaken' van voorraden donorbloed waarvan men kon weten dat het besmet was. Vragen, vragen, vragen.

In een parlementaire democratie leiden oud verdriet en nieuwe onzekerheid tot luidere vragen. Een begin van wantrouwen. Eerst op lokaal niveau, in de Bijlmer, en bij de families van besmette patiënten in Frankrijk. Wat er vervolgens nationaal gebeurt tekent de kwaliteit van een democratie. Bij het uitblijven van een afdoende reactie hebben de Fransen na vijftien jaar gegrepen naar een politiek strafproces, terwijl Nederland een enquête opvoert die het midden houdt tussen Opsporing Verzocht en groepstherapie.

Ieder vervult een onvermijdelijk soort rol in deze publieke rites. Premier Kok had het staatsrecht aan zijn zijde toen hij er gisteren op wees dat de minister-president slechts voorzitter is van de ministerraad. Terugkijkend was er inderdaad reden tot bezorgdheid, zei Kok. Ja, maar wat deed u er aan? ,,Ach, Algemene Zaken is maar een heel klein departement, de Rijksvoorlichtingsdienst en een paar raadadviseurs.'' Het was een spiegelbeeld van de behendige zelfspot van zijn voorganger Lubbers. Die zei: ik bemoeide me met van alles, dat wist iedereen, en niemand belde me op om zijn verontrusting hierover te melden. Dus zo erg kan het niet zijn geweest.

De vragenstellers waren geen partij voor deze routiniers. De oud-premier vond een mengvorm van ernst en gemoedelijkheid. Zijn opvolger kon een zekere kribbigheid soms met moeite onder de oppervlakte houden. In beide gevallen een kwestie van karakter en mediatraining. Maar de burger bleef zitten met het gevoel: ze redden zich er altijd uit, aan hen heeft het nooit gelegen. Zelfs als het wel aan hen had gelegen. Tot nu toe is de enquête een detectiveserie geweest met geheimzinnige mannen en geruchten. De rode draad leek: ambtenaren springen naar eigen inzicht om met informatie, bewindslieden vertellen de Kamer wat zij weten – meestal niet genoeg. Ministers vonden dit achteraf jammer, maar het was niet anders. Ja, en vervelend dat Israel zijn marge heeft misbruikt. Nee, daar hebben we nooit iets van gezegd.

In de loop van de verhoren is er voor de Kamer een biechtaspect bijgekomen. Het parlement werd door verschillende bewindslieden voorgehouden dat zijn nieuwsgierigheid niet altijd even groot is geweest. We hadden wel eens wat eerder aan de bel kunnen trekken, werd daarop soms in boetekleed erkend. Waarheidsvinding en lessen voor de toekomst, zeker. Maar de verantwoordelijkheden worden steeds meer uitgesmeerd.

In Frankrijk werd dinsdag uitspraak gedaan in het `besmet bloed-proces' tegen oud-premier Fabius en zijn collega's Dufoix en Hervé. De eerste twee werden vrijgesproken, de laatste, ex-staatssecretaris van Volksgezondheid, werd schuldig bevonden aan onopzettelijke doodslag zonder oplegging van straf. Argument: zijn naam had al genoeg geleden in de pers. Nog afgezien van de juridische kronkels van een strafproces voor een gelegenheidshof, klonk ook in deze procedure het `Wir haben es nicht gewusst' luid en herhaald door. De vereniging van bloedtransfusiepatiënten meent te weten dat Fabius al een jaar eerder dan de omstreden beslissingen uit 1985 heel goed wist welke risico's werden gelopen met ongecontroleerd donorbloed. Zijn `vrijspraak' zal Fabius moreel niet witwassen.

Een Nederlandse toehoorder bij dit politieke proces kon zich niet onttrekken aan de overeenkomsten tussen de wijze waarop de democratisch gestuurde overheidsapparaten in beide landen zijn omgegaan met ontreddering en woede. In Frankrijk werd een Amerikaanse test een paar maanden buiten de deur gehouden om een Franse firma tijd te geven zijn achterstand in te halen. Alleen dat al heeft mensenlevens gekost. Fabius zei: ,,Die beslissing heb ik niet genomen. Ik was juist heel snel er bij nadat mij een voorstel had bereikt.'' Maar zijn topambtenaren deden wel deze levensgevaarlijke ingreep. Was Fabius daar niet verantwoordelijk voor? Strafrechtelijk werd zijn schuld niet bewezen. Politiek werd de vraag gesteld noch beantwoord. Mogelijk besmette getransfuseerden zijn nooit gewaarschuwd. Dat ging door tijdens opvolgers van Fabius en Hervé. In Parijs staat een hele politieke klasse onder verdenking van laksheid.

Natuurlijk moet worden afgewacht welke wijze conclusies de parlementaire enquêtecommissie trekt uit haar onderzoek. Maar niets doet vermoeden dat er helder zicht zal komen op de politieke vraag die ook in Frankrijk goeddeels buiten beeld is gevallen: onder wiens politieke verantwoordelijkheid is wat fout gegaan?

Het lijkt alsof het principe van de ministeriële verantwoordelijkheid in onbruik raakt in ons soort hoog ontwikkelde democratieën. De samenleving is ook ingewikkeld, de risico's van asbest, enge ziektes en verkeersgeweld zijn onoverzichtelijk. Gewone stervelingen op ministersstoelen kunnen daar toch niet op worden aangekeken? Fabius' minister van Sociale Zaken Dufoix zal de geschiedenis ingaan met haar uitspraak: ,,Ik was verantwoordelijk, maar niet schuldig.''

De grote vergissing is dat men ministeriële verantwoordelijkheid ziet als schuld-aansprakelijkheid, terwijl het gaat om risico-aansprakelijkheid. Een minister is iemand die politieke verantwoordelijkheid draagt voor een departement. Wat daar goed gaat mag hij op zijn naam schrijven. Wat fout loopt is zijn fout. Daar moet hij de Kamer tekst en uitleg over geven. Het is opnieuw een misverstand dat `ministeriële verantwoordelijkheid' het zelfde is als aftreden. Dat maakt de Kamer wel uit al naar gelang zij de minister na zijn verklaringen het ministerie nog toevertrouwt.

Wanneer het gewoonte wordt genoegen te nemen met het excuus dat een minister `het ook niet wist' of `de betreffende ambtenaar inmiddels op non-actief is gesteld' dan is de ministeriële verantwoordelijkheid buiten werking gesteld. Van de paspoortaffaire, de eerste mestaffaire, Srebrenica, Hercules tot en met El Al hebben ministers zich beroepen op van alles en nog wat. Zoals in Frankrijk tot op de dag van vandaag niemand politieke verantwoordelijkheid heeft afgelegd over de 50 miljard gulden die zijn verkwanseld door de staatsbank Crédit Lyonnais. In alle gevallen geldt: het wegvluchten voor de ministeriële verantwoordelijkheid berooft de democratie van een vitaal vertrouwensritueel.

Marc Chavannes is correspondent in Parijs voor NRC Handelsblad.