Huurmoordenaar met een alibi

Was de roemruchte Venezolaanse terrorist Carlos ooit een echte revolutionair in de ware zin des woords? Een man die verbeten vocht voor een hoger doel? Of was het een publiciteitsgeile, ijdele dandy die vooral van geld, dure whisky en mooie vrouwen hield? De Britse journalist John Follain heeft van Carlos nooit een duidelijk antwoord op zijn vragen gekregen. Maar in zijn boek Jackal. The secret wars of Carlos the Jackal twijfelt hij sterk aan Carlos' ideologische geloofsbrieven. Hij laat ook de andere kant zien van de man die ooit `de meest gevreesde terrorist ter wereld' was. En schildert het beeld van een gewetenloze, ijdele, geldzuchtige man die aan alcohol is verslaafd en zich als één van zijn hogere doelen heeft gesteld zoveel mogelijk vrouwen het bed in te praten.

Ilich Ramirez Sanchez, alias Carlos, alias de Jakhals, blijft daarentegen vanuit isolatiecel 258187 van de La Santé gevangenis in Parijs nog steeds de revolutie proclameren. Hij omschrijft zichzelf als een `professionele revolutionair in de oude leninistische traditie', die in een strijd op leven en dood is verwikkeld tegen het wereldzionisme en de McDonaldisering.

Volgens Follain is Carlos alleen in het begin van de jaren zeventig een bevlogen revolutionair die zich spiegelt aan zijn Argentijnse held Ernesto `Che' Guevara. Tijdens zijn studie aan de Patrice Lumumba-universiteit in Moskou sluit hij zich aan bij het Popular Front for the Liberation of Palestine (PFLP). De organisatie is opgericht door de Palestijnen Wadi Haddad en George Habash en streeft maar één doel na: met geweld de bevrijding van Palestina afdwingen. De onderliggende ideologie is marxistisch, de taktiek bestaat uit terreur. Voor Ilich Ramirez Sanchez is het dé ideale cocktail om de uiteindelijke wereldrevolutie voor te bereiden. Zijn marxistische vader, die hem heeft vernoemd naar Vladimir Iljitsj Oeljanov (Lenin), heeft hem van jongsaf aan de communistische heilsverwachting ingefluisterd. In juli 1970 reist de twintigjarige Ilich naar het Midden-Oosten en meldt zich aan als guerrillastrijder bij Abu-Sharif, de woordvoerder van het PFLP. Abu-Sharif geeft hem zijn `nom de guerre' Carlos, een Spaanse verbastering van de Arabische naam Khalil. Pas later, als een Britse journalist in zijn appartement in Londen The Day of the Jackal van Frederic Forsyths tussen zijn spullen aantreft dat gaat over een huurmoordenaar die de Franse president Charles de Gaulle moet vermoorden, krijgt hij ook de bijnaam de Jakhals.

Capo di capi

In naam van het PFLP begaat Carlos een serie terreurdaden die zijn weerga niet kent. Hij vermoordt volgens eigen berekening 83 mensen. Carlos werkt zich op tot een soort `capo di capi' onder terroristen. Een man waarvoor de geheime diensten over de hele wereld hun adem inhouden. Zo zegt de vroegere Oostduitsespionagechef Markus Wolf tijdens een interview met Follain: `We waren bang voor Carlos en accepteerden zijn aan wezigheid alleen om ons zijn woede niet op de hals te halen.' Op een gegeven moment krijgt hij bijna alle terreurdaden in zijn schoenen geschoven, of hij er nu bij betrokken is of niet. Zo ziet men hem als de kwade genius achter de bloedige aanslag op de Israëlische sportlieden in München in 1972, een aanslag die in werkelijkheid wordt geleid door Abu Iyad van Al Fatah. Men verdenkt hem ook van de kaping van een Frans passagiersvliegtuig naar Entebbe in 1976. Dat is wel een actie van het Volksfront, maar Carlos is in geen velden of wegen te bekennen.

Een daad die hij wél op zijn conto schrijft is de gijzeling van elf OPEC-ministers in 1975, waarbij drie doden vallen. De operatie wordt later beschreven als het magnum opus uit Carlos' carrière. Maar volgens John Follain is het omgekeerde juist het geval, hij beschouwt de actie als een dieptepunt in Carlos' terroristische loopbaan. De Jakhals had van zijn Palestijnse mentor Wadi Haddad namelijk duidelijke richtlijnen meegekregen. De olieministers zouden worden losgelaten na politieke toezeggingen en twee ministers zouden worden geliquideerd: De Saoedische sjeik Yamani en de Iraanse Jamshid Amouzegar. Maar dat gebeurde niet, want Carlos liet zich volgens Follain `omkopen' en zou miljoenen dollars hebben verdiend aan de actie. `Insubordinatie', concludeert Haddad en schopt hem uit het PFLP.

Carlos richt vervolgens zijn eigen organisatie op: Organisation of Arab Armed Struggle en wordt tegen forse betaling een knecht van veel meesters. Carlos voert terreurdaden uit op bestelling. Onder zijn klanten rekent hij de Iraakse dictator Saddam Hussein, de Syrische president Assad en de Libische heerser Gadaffi. In het Oostblok is hij kind aan huis. De Stasi voert hand- en spandiensten voor hem uit.

Als zijn latere vrouw Magdalena Kopp in Frankrijk wordt veroordeeld voor verboden wapenbezit voert hij zijn eigen vuile oorlog tegen de Fransen. De terreurcampagne kost aan minstens vijftien onschuldige mensen het leven.Volgens Follain is het revolutionaire élan van Carlos dan al ver te zoeken. Nadat de Oost-Europese landen Carlos midden jaren tachtig de wacht aanzeggen vindt hij bescherming in de Syrische hoofdstad Damacus. Zijn ster is dalende. De meeste tijd brengt hij stomdronken door in nachtclubs. Vincent Cannistraro van de CIA beschrijft hem in die periode als `a historical curiosity, a rathersad character'. Als Saddam Hussein op 2 augustus 1990 Koeweit aanvalt, schaart Syrië zich aan de kant van de westerse alliantie. Het land, dat figureert op de zwarte lijst van landen die het internationale terrorisme steunen, ziet de kans schoon om het imago op te poetsen en stuurt Carlos het land uit. Hij vindt een schuilplaats in de Soedanese hoofdstad Khartoem waar hij ondanks de strenge islamitische gedragsregels leeft als een verzopen playboy met zijn nieuwbakken beeldschone Jordaanse vrouw.

In 1992 wordt hij in Frankrijk bij verstek veroordeeld tot levenslang voor de moord op twee agenten van de geheime dienst. De Fransen zijn er op gebrand de seriemoordenaar achter de tralies te krijgen. Als de Amerikaanse CIA de Franse geheime dienst tipt over de verblijfplaats van Carlos begint er een sinister onderhandelingsspel met het Soedanese bewind. Een compromis wordt bereikt. De Franse geheime dienst mag Carlos op 15 augustus 1994 komen halen. In een jute zak wordt hij aan boord gehesen van een Frans toestel en naar Parijs gevlogen. De Jakhals is verraden door zijn broodheren. In december 1997 wordt hij veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf voor de moord op de twee geheime agenten. Aan de legende is een eind gekomen. Tijdens zijn rechtszaak mag Carlos nog één keer schitteren. In een lange slotmonoloog toont hij geen greintje spijt voor al het leed dat hij heeft toegebracht en zegt: `Ik ben trots op de strijd die ik heb gevoerd, trots op mijn ideologie.'

Maar wat die ideologie precies inhoudt is volgens Follain nooit duidelijk geworden. De auteur beschouwt Carlos vooral als een 'gun for hire', een relikwie uit de Koude Oorlog, die op het laatst door iedereen in de steek is gelaten. Volgens Follain is de voormalige terrorist als de dood om vergeten te worden en was de hongerstaking die hij eind vorig jaar hield louter een mediastunt. Carlos eiste een einde aan zijn isolatiestraf en recht op Frans onderwijs. Tamelijk milde eisen voor de man aan wiens handen liters bloed kleven en die zijn brieven nog altijd afsluit met de kreet: `In naam van de revolutie'.

John Follain: Jackal. The secret wars of Carlos the Jackal. Weidenfeld & Nicolson, 288 blz. ƒ75,60