Gemangeld tussen cabaret en dorpspomp

De journalist Kees Versteegh verhaalt over de andere kant van Paars: het niet regeren van de christendemocraten, verenigd in het CDA. Misschien moet je ook wel zeggen: het niet regeren van de KVP als belangrijkste constituerende partij van het CDA. De andere fusiepartners van het CDA, de Anti-Revolutionaire Partij en de Christelijk Historische Unie, kenden na de oorlog al eerder periodes waarin zij buiten de coalitie stonden. Van beide partijen overigens geen periodes om met trots op terug te zien. De ARP beet zich vast in een voorbij kolonialisme, de CHU verviel tijdens het kabinet-Den Uyl in ongeloofwaardig opportunisme.

Is niet-regeren hetzelfde als oppositie voeren? In de meeste democratieën is de vraag al onbegrijpelijk. En als zij al begrepen wordt, is een verbaasd `natuurlijk' het antwoord. Zo niet in Nederland. Hans van Mierlo heeft zijn grootste electorale succes geboekt door oppositie te voeren vóór het centrum-links beleid van het kabinet-Lubbers III. In het algemeen zijn voorstanders van dualisme tussen regering en volksvertegenwoordiging geneigd om de hele Tweede Kamer als tegenvoeter van het kabinet te zien en niet zo zeer alleen de niet-coalitie-partijen. Deze mooie gedachte vindt in de laatste decennia echter weinig toepassing. In het televisietijdperk kan geen regeringsfractie haar eigen bewindslieden laten vallen. Als we dan toch verlekkerd kijken naar het politieke spel in andere landen, dan moeten we ook overwegen om andere kiesstelsels over te nemen. Een of andere vorm van districtenstelsel bevordert de duidelijkheid tussen Links en Rechts, zoals Engeland, Frankrijk en Duitsland laten zien.

Dat is in Nederland inderdaad heel anders. Toen ik in 1977 lid werd van de Tweede Kamer, had mijn partij (de PvdA) de grootste overwinning in haar geschiedenis behaald (10 zetels winst). Niettemin verloren wij de formatie en kwam er een kabinet-Van Agt zonder de PvdA. Toen ik de Kamer in 1994 verliet, had de PvdA de grootste nederlaag in haar historie geleden (12 zetels). Niettemin kwam er het kabinet-Kok I. De PvdA had de formatie gewonnen (dankzij D66). In die formatie heeft de toenmalige fractievoorzitter van het CDA, Brinkman de kansen op een voortgezette regeringsdeelname van zijn partij verspeeld. Zijn afwijzing van een hernieuwde coalitie met de PvdA paste perfect in de opzet van Van Mierlo. Kok had maar één kans om te overleven: via Paars, het troetelkind van D66.

Daarmee begonnen de problemen van het CDA pas echt. De eeuwige regeringspartij miste oppositionele ervaring, leiderschap en koers. Het is bijna aandoenlijk om de eerste stappen op het oppositiepad te volgen. Praktisch alles mislukt. Een lange vakantie van twee jaar was voor het CDA wellicht beter geweest. Maar de onwennigheid werd pas echt een probleem door de crisis rond het leiderschap (Brinkman, Heerma, De Hoop Scheffer) en de inhoudelijk zig-zagkoers. Koers en leiderschap hangen nauw met elkaar samen. De Hoop Scheffer past niet bij het verkiezingsprogramma van het CDA en dat blijft wringen. De urbane studentencabaretier staat mijlenver van de dorps-ideologie van zijn programma. Iemand als Gerrit Braks zou geloofwaardiger zijn. Het CDA-verkiezingsprogramma is namelijk een communitaristisch manifest. Het relativeert zowel markt als staat en benadrukt het belang van de samenleving. Gezinnen, verenigingen, buurten en de sociale partners zijn de elementen van de sociale architectuur. Uit die elementen is de christelijk sociale leer al altijd opgebouwd. Zij blijven actueel. De discussie over de Derde Weg kent een morele dimensie, die nauw aansluit bij de christelijk sociale traditie. Maar het zijn uitgerekend sociaaldemocraten, die deze discussie monopoliseren, wereldwijd. Wat de PvdA betreft, niet zonder enig recht. Het eerste beginselprogramma van de PvdA – het programma van dominee Banning – proclameert al het primaat van de `gemeenschap' boven staat of markt. Niet voor niets hoopte Banning op een `doorbraak' naar de traditionele christelijke partijen.

Ongetwijfeld was het CDA-programma in de ogen van Haagse professionals veel te ideologisch. Algemene lastenverlichting werd afgewezen. De Hoop Scheffer kwam daar niet rond voor uit, daarbij gesouffleerd door Hans Hillen. Daardoor weten we niet of het programmapunt of de slappe verdediging bij de verkiezingen in '98 is afgestraft. Dit soort onzekerheid knaagt nog steeds aan het CDA. Zit de winst in een eigen herkenbare ideologie, als in het verkiezingsprogramma, of moet de electorale winst bij de VVD worden weggehaald, met de Telegraaf als kompas?

Een groot probleem voor de inhoudelijke vernieuwing van het CDA was het gegeven dat zijn fractie tijdens Paars I in overgrote meerderheid bestond uit Brinkmangetrouwen. De nieuwe fractie is drastisch gewijzigd. De centrale positie van Hillen voorspelt echter weinig innovatie. Met iemand als Balkenende heeft de fractie een ideoloog van ander gehalte in huis. Maar krijgt de nieuwe garde een kans of stimuleert De Milliano's vertrek aanpassingsgedrag?

In tenminste één opzicht is Van Mierlo's droom werkelijkheid geworden. Met het verlies van regeringsmacht is het CDA ook zijn maatschappelijke machtspositie kwijt geraakt. Tegenover vroegere bindingen aan allerlei belangengroepen staat thans een CDA dat zijn exclusiviteit als gesprekspartner heeft verloren. Oude ingangen zijn nu bezet door leden van de PvdA, de bestuurderspartij bij uitstek in de jaren '90. Het wachten is op een PvdA'er als voorzitter van VNO/NCW. Dan mag de CDA'er Wijffels rustig de SER-voorzitter worden. In de departementale ambtenarij is de PvdA in elk geval al dominerend. En het zou me niet verbazen als dit ook voor het advieswezen geldt.

Maar als we afzien van deze circulatie der elites, heeft Paars dan echt iets veranderd in de Nederlandse samenleving? Het sociaal-economisch beleid van Paars I paste naadloos in dat van zijn voorgangers. Het beleid op immateriële onderwerpen wijkt nauwelijks af van wat ook in een coalitie met het CDA mogelijk was. Kortom, Paars I was qua inhoud een nationaal kabinet zonder CDA-ministers. De continuïteit van het beleid maakte het de CDA-fractie onmogelijk om oppositiefractie te worden. Poldermodel? Lubbers had het al uitgevonden. Betuwelijn, HSL, Schiphol? May-Weggen had het tot beleid verheven. Opponeren tegen eigen beleid is ongeloofwaardig. Niet voor niets prees de financieel woordvoerder van de CDA-fractie de VVD-minster Zalm de hemel in.

Dat kan onder Paars II anders worden. De continuïteit met de kabinetten Lubbers knelt niet meer. De tijd van financiële meevallers lijkt voorbij. De tekortkomingen van Paars I komen nu pas aan het daglicht. Er gloort dus hoop voor de oppositie. Maar echt herstel zit er nog niet in. En dan wordt de zwakte van het CDA de kracht van Paars.

Versteegh geeft een levendig beeld van de ontreddering in het CDA na de nederlaag van 1994. Je loopt als buitenstaander altijd het gevaar, dat vooral die bronnen gaan sproeien die nog iets af te rekenen hebben. Dat levert de mooiste anekdotes op. Maar ook een grote kans op eenzijdigheid. Ik heb het gevoel, dat Versteegh dit gevaar niet helemaal ontlopen is. Maar zelfs als zijn relaas eenzijdig zou zijn, is het één groot bewijs van de desoriëntatie in het ooit zo machtige bolwerk.

De ambitie van Versteegh gaat overigens verder dan het beschrijven van de lotgevallen van het CDA onder Paars I. Hij vindt dat er in het algemeen weinig literatuur bestaat over het verschijnsel `oppositie'. Zijn boek beoogt een bijdrage te zijn in dit tekort. Maar een echt handboek `oppositie' is het niet geworden. Voorzover er iets te leren valt is het vooral wat je niet moet doen als oppositie. Toen het boek werd afgesloten was er nog weinig te melden over een succcesvolle oppositie van het CDA.

Versteegh geeft niettemin een boeiende inkijk in de eerste oppositiejaren van het CDA. Het is vlot geschreven. Een paar missertjes hier en daar – het is onwaarschijnlijk dat de Franse thomist Jacques Maritain, die in het interbellum grote invloed had, al een rol speelde bij de eerste katholieke fractievorming eind vorige eeuw; Van Agt III was een kabinet zonder de PvdA – bevestigen nog eens het journalistieke karakter van dit zeer leesbare verslag.

Kees Versteegh: De honden blaffen. Waarom het CDA geen oppositie kan voeren. Bert Bakker,308 blz. ƒ39,90