Elk woord kan worden omgedraaid

Dat poëzie het maximale met een minimum aan middelen probeert uitte drukken, is een gangbare definitie van het dichtersvak. Maar is zo'n omschrijving nog van toepassing op het werk van bij voorbeeld Kees Ouwens? Diens versregels tarten de breedte van de zetspiegel en, meanderend over de pagina, ook het oriëntatievermogen van de lezer. In zulke poëzie is verdichting geen condensatie meer, maar verduistering. Dit is geen kwaliteitsoordeel, maar een diagnose. Poëzie als die van Ouwens vormt een uitdijend heelal van betekenissen, waarin het moeilijk is de weg te vinden. Desondanks is er veel te genieten – juist omdat de taal zich in eigenzinnige constructies loszingt van het woordenboek. In Natuurlijke Liefde ontleent Jacob Groot de titel van een gedicht aan het werk van Ouwens. Hij speelt ook leentjebuur bij andere collega's, zoals Hans Faverey en Herman Gorter, maar hetOuwens-citaat is opvallend omdat het op rake wijze typeert watGroot in zijn achtste bundel onderneemt. `In des te naakter voller ornaat des te omringder' luidt het, en deze breedvoerige paradox lijkt het drijfwerk van de verzen in Natuurlijke Liefde.

De gedichten tonen, zoals Groots vorige werk, nog altijd de sensitieve invloed van Gorter, maar de taal volgt het slingerende spoor van Ouwens. Hiermee bedoel ik allerminst dat Jacob Groot een epigoon zou zijn. Ook in deze nieuwe bundel is hij vooral zichzelf: bij tijden taaldronken, nu eens buitelend dan weer sentimenteel associërend, soms rijmelend, al te diepzinnig of ronduit plat, maar steeds weer tintelend van experimenteerdrift. Wie bereid is zich over te geven aan zijn poëtische zweefmolen, draait mee. De rest haakt af. Negenentwintig jaar geleden debuteerde Groot als Jacob der Meistersänger met de ironisch-mystieke bundel Net Als Vroeger. De landelijke, soms ook landerige sfeer van die bundel keert volop terug in Natuurlijke Liefde, maar van ironie is geen sprake meer. Daarvoor is er te vaak en te diep gedacht. In veel strofen in deze bundel speelt de filosoof de baas. Natuurlijk, poëten enfilosofen bekommeren zich om dezelfde levensvragen; maar anders dan denkers willen dichters het raadsel niet oplossen, maar vastleggen. Als Jacob Groot zich in zijn enthousiasme te zeer overgeeft aan de pracht van het denken, hapert de poëzie. Op zulke momenten is het vers aan mij niet besteed. Maar waarde kijker of ziener de overhand krijgt, blijkt de kwaliteit van de meesterzanger. Dat gebeurt misschien op z'n best in `Het was het mooiste vlees':

Je hebt de melkbus geopend en in de bron gestaard

van je dorst; het deksel paste precies op je hoofd;

zo zwom je met je tong in het witste dat je waste;

je dronk het mooiste vlies, doordrenkt van lucht,

opgespaard uit de bus, deed je het

wonder dicht; je

hoorde hoe de melk getild werd naar de avond toe;

op het schelpenpad stond je, zonder

handen voor je

wagenwijde ogen, verspild in het reinste licht over

de grond van het teruggekeerde vee; schoon likte

zich je dag; alsof je, naakt aan het vlees beloofd, nu

in het mooiste vlees mocht, dat zijn tint nooit doofde;

je zag hoe dat licht naar je haakte in plaats van

andersom, en hoe je verlangen er naar achterbleef

bij de manier waarop het zich meester van je maakte.

Hier wordt niets verklaard. Er is slechts de even lucide als raadselachtige evocatie van een avond op het boerenland. Lucht, likte, licht, vlies, vlees. In klankrijke associaties wordt een sensitieve herinnering uit de kinderjaren verbeeld. Maar niet alleen visioenen, ook auditieve herinneringen bepalen de sfeer van Groots beste verzen. Zo beschrijft hij in `De morgenstond is nietsmeer dan een slag in de lucht, de schepping een citaat' een smidse:

(...) niemand hoorde je

toen je, in de deur van de smederij, kwam voor de klank

van het klinken; de schittering echter

bevond zich op

een steenworp afstand; het paard, in

bevroren galop, op

het punt zich willoos te laten beslaan, sloeg zijn te

oude hoef tegen het wegdek, en liet het zelf nog vonken.

De titel van het gedicht geeft smid en paard een hogere, emblematische lading; maar ook zonder die nadrukkelijke symboliek staat hier een eeuwig beeld. Dat Groot nog altijd behoefte heeft aan mystieke grootspraak blijkt niet alleen uit zijn smidse-vers. Ook andere titels zijn zo uitzinnig dat ze zich niet meer als etiket laten lezen, maar motto lijken. `De samenleving is niet elegisch; ze betekent de klacht, gericht aan niemand in het bijzonder, die we herbergen' is zo'n titel. Of, minder te bevatten nog: `Moeder der begrippen: bron als meisje van de naam jongen'. Na zulke opschriften verwacht je opheldering. Maar Groot maakt het zijn lezers niet makkelijk. In Natuurlijke Liefde is niets wat het lijkt te zijn. `Al het eindige is slechts een middel' stelt de titel van een van de zeven poëziereeksen in deze bundel. En van alle middelen is de taal misschien wel het minst volkomen, want wat voor het vlees geldt bepaalt ook de taal. `Alle taal is als gras' heet het laatste gedicht, en dan blijkt waarom het gereedschap Groot uit de hand kan groeien:

mijn taal, voel ik, is als een akker die een weide

is gewijd; elk woord kan worden

omgedraaid,

en zelfs geroofd, dan komt uit de grond het gras

dat beloofd is omdat het, als

betekenissen, door

elkaar, gesnoeid, vergroot, torenhoog opwaarts

groeit, mits ik niet maai, tot het in hem stoot.

Jacob Groot: Natuurlijke Liefde. De Harmonie, 79 blz. ƒ34,90