Een gat in het landschap

Schilder Kees Smits groeide op als zoon van een bollenteler. Nu schildert hij, in blijmoedige maar ook bedorven kleuren.

Ik zie weer een smalle kamer in Leiden voor me, halverwege de jaren vijftig. De deur staat op een kier en ik lig in bed met griep. Aan de wand is een kleed dat moeder daar heeft opgehangen. Een vrolijke voorstelling geborduurd op een lap katoen – eenden en konijnen langs een weggetje, meeuwen, plukjes gras, bomen en een bruine hut. 's Ochtends valt het nog mee. Maar in de namiddag, wanneer de koorts stijgt en het licht van buiten schuine strepen trekt, gaat het spoken. Het oker van de eenden neemt een dreigende tint aan. Het stiksel van de zwart-witte konijnen rafelt uiteen. Zijn ze van drop gemaakt? Het weggetje loopt naar nergens, of naar een horizon die zich juist al te nadrukkelijk aandient. En de meeuwen. Ach, eens (eergisteren) waren het vogels geweest maar nu het duizelt, blijft van die afspraak weinig over. De meeuwen veranderen in zorgvuldig op het stof geborduurde `emmetjes', leesbaar maar betekenisloos onderweg naar de avondgloed achter een heuvelrug. Ook met die gloed is iets aan de hand. Ik vermoed nog wel dat het zachtroze geruststellend moet zijn. Eergisteren leek het bedoeld om te troosten. Maar het vertrouwen in die troost is op een raadselachtige manier geschonden. Moeders voorstelling valt uit elkaar.

De gedachte dat zoiets simpels als het borduursel op een wandkleed groteske vormen aan kan nemen, heeft me nooit los gelaten. Het had zo op verraad geleken, een fundamenteel verraad. Hetzelfde overkwam me – en overkomt me soms nog steeds – bij het zien van bollenvelden. De tulp is een decoratieve bloem. In gelid geplaatst wordt hij grotesk. Met zijn honderdduizenden bij elkaar, kleurvlakjes in een aangeharkt groen-groen-knollen-knollenland, en je wordt achterdochtig: te veel onnozele vrolijkheid tegelijk. Hier wordt een leugen voorgeschoteld, een vloek in het hart van Nederland.

Ik vertel dit omdat er een kunstenaar is die deze twijfel en het prille vermoeden van bedrog met ongewone hardnekkigheid in kaart brengt. Waar blijf je als de meeuwen kantelen en in een `m' veranderen, wanneer de afspraak om binnen van buiten te scheiden komt te vervallen, wanneer de kleur onthecht raakt van de bloem? De schilder Kees Smits (1945) kauwt al bijna dertig jaar op dergelijke koortsbeelden, op de korsten van het zegbare, of het toonbare in dit geval. En laat ik het er maar meteen bij vermelden: het blijft verbazen hoe weinig waardering hij daarmee oogst. Zijn tentoonstellingen worden schaars bezocht, zijn twijfel is vrijwel onverkoopbaar. Hoe komt dat toch? Ligt het aan zoiets ongrijpbaars als een `cultureel klimaat'?

Broeierig

Ik leerde Kees kennen in de heldere nazomer van 1980. We namen deel aan de XIIème Biennale de Paris, op uitnodiging van het Bureau Beeldende Kunst Buitenland (de biënnale zowel als het bureau zijn inmiddels opgeheven). Het was een broeierige tijd en de concurrentie was moordend. De dagen die aan de officiële opening voorafgingen, brachten we door in het treurig makende Musée d'Arte Moderne, waar we onze spulletjes tegen de toen nog Jonge Italianen moesten verdedigen, en wat erger was: tegen aanstormend performance/ intervention, installation et vidéo. De jonge Franse conservatoren zagen weinig in de schilderkunst. Die werd als reactionair van de hand werd gedaan, dat voelde je aan je water. René Daniëls, die weigerde zijn schilderijen te bewaken, kwam zonder pardon in de kelder van het gebouw terecht (ik hoor hem nog roepen: `ach, het is toch niet voor de eeuwigheid'). Smits ijsbeerde voor zijn doeken, duimen achter de bretels, een sigaar in de mond. Zijn werk zat vol vliegende pijlen – net geen meeuwen. En ik weet niet meer hoe het kwam, maar iedere avond troffen we elkaar in hetzelfde café en stonden tot de kleine uren bij de toog naar elkaar te mopperen.

Schilders praten niet echt. Ze balken een beetje – een uitwisseling in idiolect. Kees' idiolect is op het onbehouwen af eerlijk. Wellicht konden we elkaar daarom zo goed verstaan; zijn achtergrond is agrarisch. Hij kan preken over landschap zoals geen stedeling dat doet.

Kees Smits werd geboren in Kortgene en bracht zijn jeugd door te Ouwerkerk op het eiland Schouwen-Duiveland. Dat wil zeggen: hij groeide op in een weids gebied, vlak onder de streng gereformeerde Bible-Belt die zich van de Veluwe tot in Zeeland uitstrekt. Zijn vader boerde (een gemengd bedrijf) en was tevens ouderling. Zoals Smits het zich herinnert, waren er thuis maar twee zaken van belang: dat je je de pleuris werkte, en dat je je kop gebruikte. Het eerste gebeurde door de week. Het laatste was grotendeels voor de dag des Heeren gereserveerd. 's Zondags stond de voorkamer blauw van bijbelspreuken en sigarenwalm. Hollandser kon het eigenlijk niet: een milieu waarin volgens vaste regels het land werd getild en volgens soortgelijke, geheel praktische regels werd getwijfeld aan het nut van dat alles.

Ik ben het pas later gaan begrijpen, maar Schouwen-Duiveland kent voor de buitenstaander onnavolgbare gradaties en nuances in het naweekse dispuut met het opperwezen, in de mate van gereformeerde ernst. Het westelijk gelegen Schouwen heeft bijvoorbeeld de naam `werelds' te zijn. Dichter bij de Noordzee lijkt het protestants fundamentalisme betrekkelijk en zachter gestemd, net als het licht overigens. In het oosten echter (in de onderbuik van Duiveland), werd `apekopperij' bedreven, zoals Smits het noemt. Ik stel me bij apekopperij een buitengewone ijver in bijbelkennis en interpretatie voor. Te huize Smits was men gelovig omwille van de sportiviteit van het geloof. Er werd geworsteld met het Woord. Dat kwam neer op bevindelijkheid als zweetsport, een diepgewortelde en welhaast Olympische instelling. En een geestesoefening die voor zijn kunstenaarschap doorslaggevend is geweest.

Bollenteelt

Er was nog iets dat hem in Parijs onderscheidde van de rest: zijn respect voor de stoffelijkheid van kleur. Aan het begin van de jaren zestig was zijn vader op de bollenteelt overgeschakeld, als zoveel boeren in de regio. In het Westland was de grond uitgeput en verziekt geraakt; Zeeland zag de kans schoon in een lucratieve bedrijfstak. De overgang van koeien, uien en piepers naar bloemen betekende op slag een wisseling van cultuur. Een boer op een gemengd bedrijf raakt nauwelijks iets aan. Hij schept voorwaarden en de natuur doet de rest. Met bollen is het anders. Iedere bloem moet persoonlijk en van zeer dichtbij onderzocht worden. De agrariër moet leren aaien. En hij staat ineens naar subtiele kleurverschillen te turen: genuanceerd mauve, scharlaken, zuurtjesblauw. `We praten gladiolen,' zei vader Smits. Kees vindt het Mabelviolet van die gladiolen het mooiste paars dat er bestaat (nu nog). `Mooi' is in Zeeland een tot zwijgzaamheid stemmend begrip. `Mooi' is vooral het ogenblikkelijke bestaan van kleur, de verbijsterende zelfstandigheid ervan.

In 1964 was hij aan de bollen en de apekopperij ontsnapt en naar Amsterdam getrokken. Hij beschouwde zichzelf als autodidact maar wilde uit praktische overwegingen nog wel een opleiding MO-B tekenen volgen. Het diploma werd in 1969 uitgereikt maar hij zou nooit voor de klas staan. In de loop van de jaren zeventig volgden tentoonstellingen – van `sponsschilderijen' (systematische banen die letterlijk met een spons zijn aangebracht) en van donkere doeken waartegen in het wit cijfers, tekens en soms het ternauwernood herkenbare profiel van een gelaat of een helling waren gepenseeld. Hij maakte die dingen uit verbazing, ik weet het zeker, de verbazing van een kleuter die per toeval uit een paar lussen een 8 samenstelt. Of die zo'n dubbele lus van onderen naar boven halveert en ontdekt dat hij twee `drietjes' of twee gekantelde meeuwen overhoudt. De eerste pictogrammatische meeuwen dateren van 1976, een motief dat hij tot op de dag van vandaag trouw is gebleven.

Recalcitrantie

Rond dezelfde tijd begon zijn plattelandse recalcitrantie in het oog te lopen, al heette Smits keer op keer `moeilijk in een kunsthistorisch hokje te plaatsen'. Hij werd een poos ingelijfd bij een stroming die voor de gelegenheid (een tentoonstelling in het Stedelijk Museum te Amsterdam) het etiket `fundamentele schilderkunst' opgeplakt kreeg. Het is bijna niet meer uit te leggen: de fundamentele schilderkunst kende geen plaatjes of verwijzingen. Ze was viriel en volstrekt voorstellingloos. Ze verwees alleen naar zichzelf, louter gefixeerd op zaken als verfbehandeling en andere materiële aspecten van het métier. Niet meer dan een uit de lucht gegrepen `concept' aangaande de formele beslommering van de schilder natuurlijk. Een benauwend hokje, vond ook Kees.

Vijfentwintig jaar later wordt Smits, voorzover hij niet vergeten is, nog steeds dat theoretische luchtje van toen nagedragen. Over zijn meest recente werk tekent men nog altijd aan: ,,Wat geschilderd wordt verwijst naar niets buiten het schilderij.''

Zijn we de kunst van het kijken echt verleerd? Het zijn dezelfde schilderijen waarbij die smalle kinderkamer voor mij opdoemt, in een Leiden dat ik nooit verlaten heb. Blijmoedige en tegelijk bedorven kleuren. Een horizon die zichzelf in twijfel trekt. Een hoekje smaragdgroen modderland, weergegeven door een landmeter met een beroepsafwijking. Smits bereikt ermee wat een dichter als Osip Mandelstam bereikte: een moedwillige stapeling van onschuld op ervaring (in plaats van andersom). En waar het me hier om begonnen is: die vorm van verdichten beweegt niet, ze maakt geen lawaai, er zitten geen toeters of bellen aan vast en er komt geen zwaailicht aan te pas, dus zien we haar eenvoudigweg niet langer. De gemiddelde toeschouwer lijkt steeds minder vat te hebben op zwijgende en onbeweeglijke beelden. Hem ontgaat Smits' ironie en de verstomde, verf geworden deernis.

Ik vermoed dat Kees Smits vorig jaar juist daarom vier forse (160x208 cm) doeken heeft gemaakt die identiek zijn in schema en tekening. Tot op de millimeter, bij wijze van didactische demonstratie. Met potloodlijnen wordt vier keer hetzelfde grondplan aangegeven. Zo'n plan moet je letterlijk opvatten, er worden rasters aangebracht, als om ruitjespapier na te bootsen, want dat geeft houvast. Rechtsboven zweeft een kwartcirkel, op de plek die bij kindertekeningen onvermijdelijk door de zon in beslag wordt genomen (anders denken die domme volwassenen nog dat het nacht is, of binnen). We bevinden ons buiten, en we kijken ergens tegenaan of doorheen, zoveel is duidelijk. Ongeveer halverwege het gezichtsveld is een verticale baan getrokken – ter dikte van een vlaggenstok – waar dan weer een horizontale uitsparing doorheen snijdt.

Verder houdt iedere onderlinge gelijkenis tussen de schilderijen op. Wie deze doeken in elkaars nabijheid ziet denkt dat in het atelier vier keer achter elkaar de bliksem is ingeslagen, telkens op klaarlichte dag. Bij het eerste doek verbleekt de lucht met een klap, een zacht geschilderd grijs spoelt het hemellichaam weg, het veld verdwijnt achter pijnlijk schel zilver. De tweede keer wordt de zon afgedekt door een kobaltblauwe substantie bevlekt met cadmiumrood. In het midden verschijnt een groen doorkijkje, en het ogenblik wordt omlijst door dikke witte structuurverf. Laat er geen misverstand over bestaan: het is een frisse zomerdag, de vlaggenstok is akelig oranjeblauw geverfd; achter de coulissen of in een andere ruimte wordt een aanslag beraamd, of een staatsgreep. Drentelend naar het derde en het vierde schilderij denk ik op het ergste te zijn voorbereid en toch is er weer geen ontkomen aan. Is het nu feest of niet? Er wappert een vale vlag die de zon aan het zicht onttrekt. Luchthartige dreiging, want vlakjes zinkwit en titaanwit staan apart te schuimbekken onder en naast ons vertrouwde doorkijkje. Bij het laatste doek worden nog we meegezogen in een azuurkleurige abstractie waar groen streng op toekijkt, maar laat ik ophouden: wie voor deze schilderijen stil kan zitten zonder soortgelijke indrukken op te doen is verbeeldingsarm.

Iconoclasme

Ondanks alle schijnbare precisie gaat het hier om een gevoel van `ternauwernood'. Smits treitert ons, en ook zichzelf. Deels is dat uit pestkopperij, het tegenovergestelde van apekopperij (voor een ander deel uit het soort iconoclasme dat de Hollandse Bible-Belt met de islam gemeen heeft). Hij schotelt ternauwernood een plattegrond van het Zeeuwse land voor. Ternauwernood een bollenveld. Op een haar na een zonsondergang of een gat in het landschap. Maar er is meer aan de hand, want tegelijkertijd ontsnap je niet aan het idee dat het allemaal gelogen kan zijn. Wat is wáár, en in hoeverre worden wij door beeldtaal om de tuin geleid? – het zijn veelal even prachtig als indringend geschilderde vragen. Het enige fundamentele aan dit werk is tenslotte de hartgrondige twijfel die aan alle grote kunst voorafgaat. Kees Smits krijgt de stuipen van kleuren die zich losmaken van hun betekenis. Het mogelijk ontbreken van beeldafspraken boezemt hem angst in.

Angst en verwondering. Eerder vergeleek ik dit met Osip Mandelstam, zonder er bij na te denken, of liever: zonder een bepaald gedicht voor ogen. Nu weet ik het weer - die doeken herinneren aan Mandelstams cyclus over Armenië (vrij vertaald): `Ach, ik zie niet meer en mij oor is verdoofd,/ Van al jouw kleuren zijn nu slechts gebleven/ menie en het luidruchtigste oker/ (-) O Jerevan, Jerevan! Heeft een vogel je getekend,/ of was het een leeuw die je kleur gaf/ uit een doos vol krijtjes, als een kind?'

Het werk van Kees Smits is in stock te bezichtigen bij Slewe Galerie, Kerkstraat 105 A, Amsterdam, Di t/m za 13-18u.