De stemmenverzamelaar

Een zangstem sterft nooit - zeker die van Dusty Springfield niet. Deel tien van Bas Heijne's serie in het laatste jaar van het millennium.

Een handtekening van de schrijver: na afloop van het openbare gesprek met Bret Easton Ellis vorige week in Amsterdam vormde zich een lange rij mensen voor zijn tafeltje. De meesten hadden zijn laatste roman, Glamorama, onder hun arm. Anderen hielden boeken vast die ze duidelijk koesterden, een stukgelezen pocket of een beduimelde filmeditie van Less than Zero. De rij was lang, als je pech had duurde het al snel een half uur voor je aan de beurt was, dus die handtekening betekende iets voor hen. Ellis deed zijn best, maar zijn pen gleed bijna van het papier van vermoeidheid. Hij moest de dagen daarvoor in Londen en Amsterdam honderden keer zijn naam in zijn boeken hebben gekrabbeld. Zijn naam was veranderd in een paar vormeloze lussen. Op dat moment kon ik niets onpersoonlijkers bedenken dan een handtekening van Bret Easton Ellis.

In de rij stond iemand die dat ook vond, want hij was uit op de stem van Ellis. Behalve Glamorama, waarin hij de schrijver een zelfportret liet tekenen, had hij een kleine cassetterecorder bij zich. Daarmee legde hij de stemmen vast van de door hem geliefde beroemdheden. Veel hoefden ze niet te zeggen, alleen hun naam was al genoeg.

My name is Bret Easton Ellis. Dank u wel.

Een nogal wezenloze hobby, leek het me eerst, een vreemd geval van dweepzucht. Wat had je aan al die stemmen, wanneer ze niets zeiden? Eindelijk heb je Hitchcock, Sophia Loren en John Lennon voor je microfoon, en dan vraag je ze niets belangwekkends en er komt ook niets zinnigs uit. Later realiseerde ik me dat dat nu juist de bedoeling moest zijn: het was deze verzamelaar helemaal niet te doen om wat deze grootheden zeiden. Het ging hem enkel en alleen om hun stem, om het geluid, de stembuigingen, het onvervreemdbare eigene van hun keelklanken. Die stemmen waren voor hem persoonlijker dan een handtekening of een foto. Iemands handschrift en vingerafdruk zijn uniek, net als een foto van zijn gezicht, maar ze verwijzen meestal meer naar zijn persoonlijkheid dan dat ze die uitdrukken. Hoor iemands stem los van zijn lijflijke aanwezigheid, en je bent direct bij hem.

Je beseft dat pas echt wanneer je de stemmen van de doden hoort.

Ik herinner me een verhaal van de Amerikaanse schrijver Edmund White, waarin een man op een hotelkamer eindeloos het bandje uit zijn antwoordapparaat met de boodschappen van zijn aan aids gestorven geliefde afspeelt, zwelgend in zijn onmacht en verdriet. De stem van die dode vriend maakte hem heel aanwezig, terwijl wat hij zei steeds dezelfde alledaagse praat hem tegelijk heel erg afwezig maakte. In de stem van een dode hoor je altijd iets wat malle spiritisten in romans en films Gene Zijde noemen, dat eigenaardige onbegaanbare niemandsland in ons bewustzijn waar onze doden verder leven.

Ik stel me voor dat de verzameling van de man met de cassetterecorder net als iedere verzameling aan betekenis en waarde wint naarmate hij ouder wordt, wanneer steeds meer eigenaren van de stemmen dood zijn. Ik weet niet of hij de stemmen van Dusty Springfield, Stanley Kubrick of Karel van het Reve verzameld heeft, maar je zou er vandaag iets wezenlijk anders in horen dan twee weken geleden. Niets wekt hen op zo'n bedriegelijke manier tot leven als het horen van hun stem, niets ook doet je zo sterk beseffen dat ze er niet meer zijn.

Tenminste, dat geldt voor de laatste twee. Dusty Springfield is een ander geval, want Dusty is, was, een zangeres. Als in memoriam zond de BBC een paar filmfragmenten van haar uit, en behalve dat die unieke hese, eenzame stem me tranen in mijn ogen bezorgde, bedacht ik tegelijk dat een stem die zingt eigenlijk nooit van een dode kan zijn. Een zangstem leeft. De paradox van de dode minnaar op het antwoordapparaat, een sterke aanwezigheid die de definitieve afwezigheid benadrukt, gaat niet op voor zingende stemmen. Zet een plaat van Dusty Springfield op – ik heb het gedaan – en ze is enkel en alleen aanwezigheid. Niet dood, niks Gene Zijde of Stem van de Overkant, ze is hier.

Geen wonder dat Elvis steeds weer ergens anders herrezen wordt gesignaleerd.

Waarom zijn dode zangers nooit echt dood? Wanneer je ze toevallig hoort spreken, zijn ze ineens wèl overleden. Ik bezit een live-opname van de Duitse zanger Fritz Wunderlich, gemaakt een paar maanden voor hij in september 1966 van een dodelijk smak van een trap maakte. Zo lang hij de sterren van de hemel zingt met zijn lyrische tenorstem, kun je je dat niet voorstellen. Je weet het, en je voelt er niets bij. Maar wanneer Wunderlich aan het eind van zijn concert een paar woorden spreekt - hij kondigt een toegift aan, dat is alles - besef je het; ineens klinkt hij als de man op het antwoordapparaat in White's verhaal. Hetzelfde geldt voor een andere geliefde zanger, Tito Schipa, de Italiaanse tenor met zijn eenzaam smachtende, fluwelen stem: geïnterviewd voor de Amerikaanse radio klinkt hij plotseling als het schriele, heel erg sterfelijke mannetje, dat zich uit de hak van Italië naar een bijna vijftig jaar durende wereldcarrière zong, fout was in de oorlog en een van zijn laatste concerten in Volendam gaf.

Mensen zullen, alle scepsis en ontkerstening ten spijt, altijd hun idee van transcendentie en onsterfelijkheid koesteren. Voor mij is het de zingende stem. In de mythe is het Orpheus die Eurydice opnieuw tot leven zingt in de onderwereld, maar in de opera`s van Monteverdi, Gluck en nog een paar anderen,word je zelf door Orpheus' gezang opgewekt uit je stoffelijke alledaagsheiden over de grenzen van je eigen bestaan getild. Geen andere kunst dan de zangkunst doet je zo sterk beseffen dat je zoiets ongrijpbaars als een ziel hebt een woord dat tegenwoordig alleen nog valt wanneer het over muziek gaat.

`My voice is God', zei de sopraan Leontyne Price toen haar gevraagd werd waarom ze zo nuffig haar rollen koos en weigerde om een zware partij als die van Madama Butterfly te zingen. Divapraat, zeggen haar nuchtere critici, maar ik begrijp haar wel. Net als ik Bob Dylan begrijp, wie niet zo lang geleden door een interviewer het vuur na aan de schenen werd gelegd over zijn positie. Wat was hij nu eigenlijk, een maatschappijverbeteraar of een reactionaire katholiek of een zweverige gelovige? Geloofde hij nu wel of niet? Een moment leek Dylan met zijn mond vol tanden te staan, hij wist het kennelijk zelf niet. Toen mompelde hij: `I believe in the songs.'

Hij zal zijn stem bedoeld hebben.