Bohémien op zoek naar respect

W.F. Hermans hield veel van katten maar minder van democraten. Zonder primaire bronnen maar met een stapel knipsels schreef Hans van Straten de biografie van een van de grootste na-oorlogs schrijvers. Het resultaat is navenant: knutselwerk.

De Franse dichter Charles Baudelaire heeft zich wel eens afgevraagd, in een van zijn `intieme journalen', waarom democraten niet van katten houden. Een merkwaardige vraag, maar het antwoord heeft hij zijn latere lezers, die naar hij vreesde allen democraat zouden zijn, niet onthouden. Democraten houden niet van katten, omdat een kat `mooi' is: `hij onthult ideeën van luxe, properheid, wellust, etcetera'. Dat Baudelaire zelf van katten hield (hij heeft er een paar prachtige gedichten over geschreven) hoeft hierna niet meer te verbazen.

Wie ook van katten hield, was Willem Frederik Hermans, net zo min als Baudelaire een geestdriftig democraat. Al in een van de eerste interviews met hem wordt melding gemaakt van `een zwarte poes', die gedurende het hele gesprek spinnend op zijn schoot had gezeten. In 1985 publiceerde Hermans er een aardig boekje over, De liefde tussen mens en kat, waarin hij bekent zelfs voetbal op de tv te gedogen, hoewel het hem `geen lor' interesseert, alleen omdat zijn Perzische kater erdoor geboeid wordt. Op het waarom van de liefde komt echter een ander antwoord dan bij Baudelaire.

Katten wekken, met hun onverschilligheid, `onze angstige belangstelling', schrijft Hermans. Wanneer we katten in de ogen kijken en zij ons, denken we: `doe mij alsjeblieft geen kwaad. Ik wil jou ook geen kwaad doen. Ik beloof je dat ik heel aardig voor je zal zijn'. In het `sadistische universum', bevolkt door bedriegers en bedrogenen, is de kat blijkbaar een van de zeldzame plekken van veiligheid - of wapenstilstand, want Hermans vergeet niet erbij te zeggen, dat we natuurlijk nooit zeker weten of de kat er net zo over denkt als wij.

In de loop van zijn leven moet Hermans heel wat katten hebben versleten. Maar vreemd genoeg in Hermans. Zijn tijd, zijn werk, zijn leven, de nu verschenen biografie van Hans van Straten, komen ze niet voor. Horen huisdieren niet thuis in een biografie? Niet elke biograaf is die mening toegedaan. Over Bébert, de kat van de door Hermans hevig bewonderde Céline, is zelfs een apart boekje verschenen. Waarom zijn de katten van Hermans overgeslagen? Toch niet omdat Van Straten wèl een democraat is?

Een jaar geleden werd in Den Haag het Willem Frederik Hermans Instituut opgericht, dat naar verluidt op zoek zou gaan naar een biograaf die de goedkeuring van de familie Hermans zou kunnen wegdragen. Als ik mij niet vergis was dat de voorwaarde om inzage te krijgen in de nagelaten papieren van de in 1995 overleden schrijver. Hans van Straten is op eigen houtje aan de slag gegaan, zonder een eventuele invitatie af te wachten. In een interview met het Hermans-magazine (december 1998) lijkt hij er bijna trots op te zijn `heel die nagelaten papperasserij van Wim' niet te hebben benut. Om er een `bruikbare data-base' van de maken, zou hij zeker twee jaar nodig hebben gehad. Nu heeft hij in diezelfde twee jaar zijn biografie geschreven.

Het is wel raar dat we hierover niets lezen in het boek zelf. Een degelijke verantwoording, waarin Van Straten uiteenzet onder welke omstandigheden hij heeft moeten werken, ontbreekt. Er is alleen een `Waarschuwing' aan het begin en een `Nawoord'. In het eerste tekstje drukt de biograaf zijn lezers op het hart niet de door het boek verspreide samenvattingen van Hermans' publikaties over te slaan, omdat ze diverse `noten' bevatten, waarin de beroemde schrijver (met een van hem afgekeken schoolmeester-achtigheid) op blunders en vergissingen wordt betrapt. In de laatste tekst wordt in enkele losse draadjes alsnog een bescheiden knoop gelegd. Maar waarom Van Straten bijvoorbeeld niet citeert uit de `meer dan honderd brieven' die hij naar eigen zeggen van Hermans heeft ontvangen, daar kan de lezer alleen maar naar gissen.

Is het mogelijk een biografie te schrijven met zo weinig armslag, dat wil zeggen: zonder brieven, zonder dagboeken, zonder manuscripten? Jawel, maar dat zou dan onvermijdelijk een ander soort biografie moeten worden dan Van Straten nu heeft afgeleverd. Om te beginnen zou Hermans' werk niet alleen via samenvattingen en parafrases ter sprake moeten komen; het zou juist moeten worden geanalyseerd en op basis van zo'n analyse moeten worden ingevoegd in het levensverhaal. Van Straten daarentegen gaat niet verder dan het aanwijzen van hier en daar een feitelijke overeenkomst tussen werk en biografie.

Zo lezen we naar aanleiding van De donkere kamer van Damokles iets over de verzetsgroep CS 6, waarvan Hermans enkele leden persoonlijk kende. Van hun lotgevallen blijkt het een en ander terug te vinden in de roman, die verder het nodige heeft ontleend aan de verslagen van de Parlementaire Enquêtecommissie over de oorlogsjaren – iets wat met uitvoerige citaten door Van Straten wordt aangetoond.

Terecht uiteraard, al bevat het niet veel nieuws, maar is het voldoende? Van een biograaf verwacht je toch ook dat hij zal proberen iets meer te zeggen over het wereldbeeld dat in de roman wordt uitgedrukt, zeker bij Hermans die daarin het kenmerk zag van een geslaagde roman. Waarom dít wereldbeeld in combinatie met déze gegevens? En hoe passen beide in het leven van de schrijver? Je hoeft niet zo ver te gaan als Oek de Jong, die in zijn veelbesproken Kellendonk-lezing bijna het hele literaire werk van Hermans reduceert tot diens neurotische Familienroman. Maar Van Straten, die schrijft alsof Freud niet heeft bestaan, lijkt zich zelfs de vraag naar het verband tussen leven en werk niet eens gesteld te hebben.

Hermans is geen opvallend autobiografisch schrijver, hoewel hij een aantal autobiografische verhalen (met het alter-ego Richard Simmillion als hoofdpersoon) op zijn naam heeft staan. Toch is de grote emotionele geladenheid van zijn overige romans en verhalen, om nog maar te zwijgen over zijn polemisch werk, onmiskenbaar. Zoiets zou op z'n minst de nieuwsgierigheid van een biograaf moeten prikkelen. En als het goed is, leidt dat vervolgens tot een visie op leven en werk, die de losse feiten van het levensverhaal samenhang verleent. Een goede biografie is een markant portret, waarin het onderwerp met al zijn raadselachtigheden en contradicties tot leven komt.

Juist Hermans lijkt mij wat dit betreft een geweldige uitdaging. In de moderne Nederlandse literatuur vind je nauwelijks een intrigerender persoonlijkheid. Iemand die een meedogenloze geldingsdrang paarde aan sociale gereserveerdheid, polemisch temperament aan een vaak verbijsterende lichtgeraaktheid. Een vergelijkbare paradoxale combinatie vinden we bij Richard Simmillion in `Het grote medelijden' (opgenomen in Een wonderkind of een total loss), de zelfbenoemde `verlosser' die vergeefs erkenning eist, hoewel zijn boodschap de mensheid niets te bieden heeft dan een met furie verkondigde ontnuchtering. Naar aanleiding van dit meesterlijke verhaal, misschien wel een van de beste sleutels tot Hermans' persoonlijkheid, komt Van Straten met niet meer dan wat biografische achtergrondinformatie over Hermans' schoonfamilie, die onder een andere naam in het verhaal een rol speelt.

Interessanter is Van Stratens mededeling, dat het voorgenomen huwelijk Hermans er in 1949 toe zou hebben gebracht zijn na de oorlog onderbroken studie fysische geografie weer op te pakken. Hij moest zijn bruid een degelijke toekomst bieden, vond de schoonfamilie, en de literatuur had hem tot dan toe weinig financieel gewin opgeleverd. Pas met De donkere kamer van Damokles (1958) zou hij voor eerst bij het grote publiek succes oogsten. Zelfs Ik heb altijd gelijk (1951) had, ondanks het befaamde proces, de lezers niet en masse naar de boekwinkel doen snellen.

Dat is goed om te weten, want het verklaart het nodige omtrent de rancune waarmee Hermans nadien, ook toen het succes met geen mogelijkheid meer viel te ontkennen, Nederland en de Nederlanders is blijven bejegenen. Hij kon eenvoudig niet vergeten dat men hem niet meteen had erkend als de `grootste schrijver van Nederland', de overmoedige kreet waarmee hij in 1945 bij De Bezige Bij binnenstapte om er – zonder resultaat overigens – zijn roman-manuscript Argeloze terreur te slijten.

Dankzij de hervatte studie won Hermans' tweeslachtigheid aan reliëf: enerzijds bleef hij de onstuimige schrijver, door katholieken en andere braverds beticht van pornografie en immoraliteit, anderzijds werd hij de naar respect en een hoogleraarschap hunkerende wetenschapsman. De tegenstelling zit ook in het literaire werk, getuige het contrast tussen zijn rationalisme en zijn mythomanie. In zijn leven speelde al eerder de tegenstelling tussen de bohémien en de burger, tussen de stuurse rebel en de gehoorzame zoon van zijn strenge, bekrompen ouders.

Dat laatste maakt het twijfelachtig dat het hervatten van de studie en de keuze voor een wetenschappelijke carrière alléén aan huwelijk en financiële problemen zijn te danken. Helaas laat Van Straten ons ook op dit punt in de steek. Weliswaar begint hij zijn boek met de mededeling dat de `eerste ramp' die Hermans heeft getroffen, zijn `geboorte' was (beter lijkt mij te zeggen: zijn ouders, die de voorkeur gaven aan hun veel gewilliger dochter), maar verderop lezen we dat Hermans, eenmaal op kamers wonend, zijn vader en moeder altijd trouw is blijven bezoeken. Ook na de verhuizing naar Groningen, waar Hermans in 1952 aan de universiteit werd benoemd, zou er elke week een brief zijn verzonden naar de ouderlijke woning in de Amsterdamse Eerste Helmersstraat.

Zoiets geeft toch te denken – alleen niet bij Hans van Straten, die de feiten vermeldt, zonder er bij stil te staan. Terwijl juist deze trouw aan de ouders, waarin een trouw schuil gaat aan de burgerlijke respectabiliteit die er thuis was ingemept, het begrijpelijk maakt waarom Hermans zich in 1971 zó diep gekrenkt voelde, toen hij vanwege vermeende nalatigheid als docent tot in de Tweede Kamer toe voor schut werd gezet.

De hang naar respectabiliteit is uiteraard maar één kant van de medaille. Ook de bohémien in Hermans is nooit verdwenen. Je vind hem terug in zijn romans, in zijn polemieken, in zijn conflicten met het establishment. In deze hoedanigheid heeft Hermans zijn steentje bijgedragen aan de mentale omwenteling die Nederland doormaakte in de jaren zestig. Dat Nederland nog altijd een `regentenstaat' was, had hij als eerste bedacht, en bij de rel om het satirische tv-programma Zo is het toevallig ook nog eens een keer kwam Hermans, naast onder anderen Gerard Kornelis van het Reve en Harry Mulisch, op voor de programmamakers.

Het gevolg was een wonderlijk misverstand, dat in de loop van de roerige jaren zestig pas geleidelijk zichtbaar werd. Want in werkelijkheid moest Hermans niets hebben van de rebellerende jongeren, die hem toen massaal begonnen te lezen. Klaas kwam niet, luidt de pesterige titel (een verwijzing naar de kreet `Klaas komt') die hij nog in 1983 aan een van zijn essaybundels gaf. Zijn persoonlijke rebellie had in feite niets te maken met de ludieke `revolutie' van die dagen, al leken beide aanvankelijk een tijdje gelijk op te gaan.

Over deze kwestie zou je in een biografie graag een uitvoerige beschouwing willen lezen. Maar bij Van Straten, die het blijkens de ondertitel van zijn boek ook over Hermans' `tijd' pretendeert te hebben, vinden we er niets over. Verder dan de oppervlakte reikt zijn blik niet. De beste hoofdstukken van zijn boek zijn dan ook die, waarin niet veel meer dan een oppervlakkige blik is vereist. Dat geldt in het bijzonder voor de literair-politieke perikelen in jaren veertig en vijftig, toen in het verwarrende landschap der literaire tijdschriften zoveel van Hermans' levenslang gekoesterde vetes (met Gomperts, met Morriën, met Van Oorschot) zijn ontstaan. Van Straten, die in 1951 korte tijd redactiesecretaris van Podium was, kan hier bovendien uit eigen herinnering putten.

In deze hoofdstukken heeft de tekst ook de nodige coherentie, al verandert de biografie er – vanwege de talloze, soms bladzijden lange citaten – wat al te zeer in een compilatiewerk. In de latere hoofdstukken heeft Van Straten het kennelijk opgegeven zelfs maar een poging te wagen die coherentie te handhaven. Lukraak volgen de items (een ander woord is te veel eer) elkaar op, met een gaandeweg steeds ondoorgrondelijker wordende chronologie.

Hoogst curieus is bijvoorbeeld het elfde hoofdstuk dat `Weinreb & King Kong' heet, maar dat begint met de Groningse affaire van 1971, hoewel het toneelstuk King Kong (dat het laatst wordt behandeld) al in 1968 werd geschreven en de Weinreb-polemiek al in 1969 een aanvang nam. Waarom probeert Van Straten trouwens nergens de achtergronden te duiden van Weinrebs populariteit en van Hermans' interesse in deze zaak? Gelet op diens oorlogsromans, waarin misverstand en bedrog zo'n cruciale rol spelen, heeft er vast wel wat meer meegespeeld dan alleen de ergernis over `reputaties, procedures en krantengeschrijf', die Van Straten Hermans zelf – via een citaat – te berde laat brengen.

Nee, Hermans heeft het niet getroffen met deze biograaf, die in een bijlage de rationalist Hermans nog een trap na geeft door godbetert diens horoscoop af te drukken. Wat worden we daar nu wijzer van! De karakterschets die daar bijeen wordt gesprokkeld had in het levensverhaal tot uiting moeten komen. Maar dat was blijkbaar te hoog gegrepen.

Misschien heeft Hermans het zelf al voorzien, toen Van Straten hem in 1981 benaderde met het plan zijn biografie te schrijven. Eerder al, in 1962, hadden beiden gesprekken gevoerd, die naar voorbeeld van Léautauds Entretiens avec Robert Mallet een soort gesproken biografie van de schrijver hadden moeten worden. Destijds bleken de bandopnamen onbruikbaar, zodat het project een vroegtijdig einde vond (pas in 1995, na Hermans' dood, werd de tekst gepubliceerd onder de titel Ze zullen eikels zaaien op mijn graf). In 1981 probeerde Van Straten het opnieuw, maar nu moest het een heuse biografie worden. Trouwhartig meldt hij dat Hermans `uiterst terughoudend, om niet te zeggen argwanend' reageerde, toen de kwestie in zijn Parijse werkkamer werd besproken. Na lezing van Hermans. Zijn tijd, zijn werk, zijn leven is het niet moeilijk om te begrijpen waarom.

Van Stratens biografie is hoogstens een bouwdoos vol losse onderdelen. Met sommige van die onderdelen is iets bruikbaars in elkaar geknutseld, de meeste onderdelen blijven in de doos liggen, terwijl andere (en niet alleen die poezen en katten) simpelweg zoek zijn. Maar het belangrijkste manco is ongetwijfeld dat de handleiding, die zich in het hoofd van de knutselaar had moeten bevinden, ontbreekt. Hopelijk doet de Willem Frederik Hermans Stichting straks, met háár keuze van een biograaf, een gelukkiger greep.

Hans van Straten: Hermans. Zijn tijd, zijn werk, zijn leven. Aspekt, 606 blz. ƒ79,90