Beschermengel of engel des doods

Het lijkt allemaal zo idyllisch: een man, een vrouw en een meisje `van twintig dagen oud, met een warm, zijdezacht bolletje dat zoetjes ligt te ademen'. Er worden bloemen bezorgd en de vrouw waant zich `een tronende koningin in zoetgeurende tuinen en het oudgouden licht van de dagen' - Eva in het paradijs van voor de zondeval. In deze zoete sferen herinnert de vrouw zich een boek over een engelbewaarder, een dierbaar stoffen boek uit haar jeugd. Ze vat het idee op een studie over engelen te schrijven, `engelen die geruststellen, bevrijden, opvoeden, boodschappen overbrengen, ladders opklimmen, zich in de diepte storten, harp en lier bespelen, zingen'.

Op de zevende etage van haar flatgebouw ontruimt de vrouw een ongebruikt rommelkamertje, installeert er een tafel en een stoel en koopt stapels wit papier. Haar werkkamer heeft twee lichtvensters, door horizontale houten luiken afgesloten ramen, die wel licht doorlaten, maar niet kunnen worden geopend. In het Frans heten ze jours de souffrance (dagen van smart), en daaraan ontleent het oorspronkelijk Franse boek zijn titel.

Op een dag schuiven er, voor de ogen van de vertelster, van buitenaf, zoekende handen tussen de luiken door, tastend naar een envelop. `Ik wist het toen nog niet, maar ik ging de hel binnen', aldus de ik-persoon. Vanaf die dag komen er vreemde mensen aan de deur, wordt er ingebroken en ziet men haar soms voor iemand anders aan. Drie hoertjes maken ruzie voor haar deur, ze wordt gevolgd en om onduidelijke redenen door twee rechercheurs ondervraagd. Haar man, Paul, gaat op reis zonder dat zij de gelegenheid heeft gehad hem iets van de vreemde gebeurtenissen te vertellen. Wat begon met een een vaag, heimelijk gevoel van onbehagen, verandert al gauw in pure, schreeuwende angst die je vanaf het begin naar de keel grijpt. Haar vlucht naar het huis van haar zuster, de autopech, haar ontmoeting met de man die zich haar beschermengel noemt, de moord die zij pleegt, de rolstoel waarin zij belandt _ het speelt zich allemaal af in een surrealistische sfeer waar niets verklaarbaar is, waar eenzaamheid en angst heersen en waar schizofreen wantrouwen en alles verterende, onderhuidse spanning de boventoon voeren. Die spanning gaat, vooral door het onbuigzame, directe taalgebruik van Destremau en de strakke ik-vorm waarin het verhaal is geschreven, rechtstreeks op de lezer over.

Net als Destremau's debuutroman Ortiz uit 1996, is Vallende engel een uitstekend geschreven, magisch-realistisch suspense-verhaal, met een wel erg open einde. Daarnaast is Vallende engel opvallend genoeg ook een boek over engelen. Als je het voor de tweede keer leest – je nieuwsgierigheid is dan bevredigd – valt pas werkelijk op hoezeer het in het boek wemelt van verwijzingen naar bijbelse figuren en verhalen.

Het boek opent bijvoorbeeld met een bijbelcitaat, waarin twee engelen een bezoek brengen aan Lot in Sodom. Het verhaal van Lucifer, de gevallen engel, loopt als een rode draad door het verhaal, dat ook vol zit met verwijzingen naar jakobsladders en aartsengelen. Personages met bijbelse namen gedragen zich overeenkomstig de betekenis ervan. Zo is zus Marthe dienstbaar en valt Paul bij een wandeling tussen `wilde braamstruiken', van een steile klif naar beneden, `van rots naar rots stuiterend', net zoals het hoofd van Paulus enkele malen op de grond zou hebben geketst. De vertelster zelf heeft, wanneer zij een kort bezoek brengt haar voormalige Parijse woning, die midden in een bouwput staat, `een visioen van het einde van de wereld, de uitgegraven, omgewentelde, opengereten aarde, laadbakken waar de steenblokken en de balken uitpuilden'. Kort daarop wordt zij door een auto aangereden. Het zou wel eens haar mysterieuze beschermengel geweest kunnen zijn, die haar in het ongeluk stortte.

In Vallende engel, toch vooral een spannende roman gesitueerd in het huidige Frankrijk, komt de sfeer van vervreemding en beklemming vooral voort uit de bizarre bijbelse engelencontext. Net als bijvoorbeeld Emmanuel Carrère, verbant Destremau haar personages naar onherbergzame, magische oorden, waar, tegen een anachronistische achtergrond, het absurde en het fantastische vrij spel hebben. Met paradijselijke gevoelens wordt korte metten gemaakt, indringers verstoren de harmonie binnen een gezin en mensenlevens hangen opeens aan een zijden draadje.

In dat universum is ook geen heil te verwachten van gevleugelde goede geesten. Van het geliefde stoffen boek `waren de randen al gauw gaan rafelen. Op een dag trok ik aan een draad die eruit stak. En weldra was het boek over de engelen ontbonden, om mijn vingers gerold, veranderd in een bonte klos draden. Van de beschermengelen was geen spoor meer over.'

Yolaine Destremau: Vallende engel. Vertaling Eef Gratema (Jours de souffrance). Arena, 103 blz. ƒ25,-