`Amerika is altijd een kolonie gebleven'

Realisme is voor de roman wat elektriciteit is voor de techniek, zegt Tom Wolfe in zijn appartement in New York. Gesprek met de auteur van `In alles een man'.

Hij is in vol ornaat – wie had anders verwacht? Sinds de in Virginia geboren Tom Wolfe begin jaren zestig naar New York City verhuisde, kleedt en gedraagt hij zich als een ouderwetse Southern gentleman. Het crèmekleurige driedelige pak, eventueel versierd met een subtiele ruit, werd zijn uniform, of, om een begrip uit zijn laatste roman te gebruiken, zijn `sartorial armor' (kleermakersharnas) tegen de opdringerige buitenwereld. ,,Mensen laten zich gemakkelijk intimideren door opvallende kleren'', zegt Wolfe terwijl hij zich posteert op een van de banken in zijn New-Yorkse appartement. ,,Wie witte pakken draagt, hoeft niets meer te zeggen. En als je ze vaak genoeg aandoet, dan zien mensen niet eens meer dat je soms in iets anders loopt. Droeg ik nu blauw, dan had u later evengoed geschreven dat ik in het wit was.''

Het enige blauw dat Wolfe deze middag siert is het streepmotief van zijn overhemd en het repeterende stipje op zijn roomkleurige das. Van zijn schoenen tot zijn haar is alles aan hem wit, zij het dat zijn pak een dagje ouder is en tekenen van vergeling vertoont. Wat weinig afdoet aan de gedistingeerde indruk die de 68-jarige schrijver maakt. ,,There's a lot of Virginia sown into the seams of my garment'', antwoordt hij op de vraag of hij zich na dertig jaar meer New-Yorker dan Zuiderling voelt. ,,Je gaat naar New York met het idee dat je je verleden achter je laat; dat je een strak-stralende New-Yorker wordt. Maar ik ben iets te beleefd voor deze stad; mijn stem is te zacht voor de restaurants. Wie een hard broodje eet, kan al niet meer verstaan wat ik zeg.''

Misschien dat Wolfe daarom thuis ontvangt, op de veertiende verdieping van een wolkenkrabber aan de Upper East Side, waar de bewoner zich moet voelen als de hoofdpersoon van The Bonfire of the Vanities: Meester van het Universum. Omstandig verontschuldigt hij zich voor het feit dat hij mij een half uur heeft laten wachten. Ik verzeker hem dat het niet erg was – een understatement, want het dienstmeisje bracht een glas ijswater en alleen al het uitzicht over downtown Manhattan en Central Park was het wachten waard. De twee kamers (en suite) die ik van Wolfe's immense appartement te zien krijg, zijn klassiek ingericht: antieke meubels en stoffering, een donkerblauwe vleugel met daarop foto's van zijn vrouw en twee kinderen, een goudomrande spiegel boven de schouw, witte kasten tot de nok toe gevuld met kunstboeken. Het is een inrichting die past bij de man die in een geruchtmakend essay (From Bauhaus to Our House, 1981) fulmineerde tegen de `leanness & cleanness & bareness & spareness' van het modernisme. Walter Gropius zou gegruwd hebben van het dressoir met twee kandelaars die allebei bedekt worden door een witte hoed; of van de klassieke modereclameposters die de wanden opvrolijken. Maar in de ogen van de Wolfe-fan zijn ze even kenmerkend als de gipsmaskers van Balzac en Mark Twain – twee van Wolfe's voorbeelden als romancier – in de vensterbank.

Er zijn redenen genoeg voor een gesprek met Tom Wolfe, de New Journalist uit de jaren zestig en zeventig die in 1987 als romancier overdonderend debuteerde met The Bonfire of the Vanities. Vorig jaar november publiceerde hij na lang talmen – onder meer veroorzaakt door hartproblemen – de opvolger van de dickensiaanse satire over New York die hem had bestempeld tot chroniqueur van de `Greedy Eighties'. Met het even hilarische als spannende A Man in Full, 740 bladzijden dik, bewees Wolfe niet alleen opnieuw dat hij een van Amerika's grootste vertellers (en spreektaalspecialisten) is, maar ook dat hij als geen ander de Zeitgeist van ironisch commentaar kan voorzien. Zijn in het Amerikaanse Zuiden en Westen gesitueerde panorama van botte financiers en machiavellistische politici, van illegale immigranten en geterroriseerde gevangenen, werd ondanks zure kritieken van Norman Mailer en John Updike een succes. Alleen al in Amerika werden er anderhalf miljoen exemplaren van verkocht; op de bestsellerlijst van The New York Times bezet Wolfe al maanden de eerste plaats. In Nederland moet de echte victorie nog beginnen: drie vertalers zijn een half jaar bezig geweest om In alles een man op tijd voor de Boekenweek in de winkels te krijgen (zie kader op de volgende pagina).

In alles een man heeft twee hoofdpersonen: de op grote voet levende projectontwikkelaar en ex-footballspeler Charlie Croker, die als gevolg van een miljoenenschuld zijn Southern way of life ziet afbrokkelen; en de idealistische fabrieksarbeider Conrad Hensley die door een opeenstapeling van financiële problemen in de gevangenis terechtkomt. Maar net als in The Bonfire of the Vanities is het een stad die de hoofdrol opeist: Atlanta, de hoofdstad van Georgia, die in de jaren negentig koste wat het kost (Olympische Spelen 1996!) is opgestoten in de vaart der volkeren, maar diep in haar hart provinciaals en xenofoob is gebleven.

Privé-vliegtuig

Wolfe lacht om de suggestie dat In alles een man een terugkeer is naar zijn Zuidelijke wortels. ,,Voor iemand als ik, die geboren is in Richmond, is Atlanta net zo vreemd als voor de gemiddelde Nederlander. Het is niet zozeer een kwestie van accent of klimaat, maar van cultuur. In het Diepe Zuiden is alles extremer. Als je rijk bent in Virginia, koop je een privé-vliegtuig. In Georgia is dat alleen nog maar het begin: je vliegt je eigen Gulfstream Five om een uur te besparen op de reis naar het landgoed dat je gebruikt voor de kwarteljacht. Ziedaar het toppunt van conspicuous consumption: een bos van 15.000 hectare onderhouden om dertien weken per jaar op vogeltjes te schieten.

,,Uit een bezoek aan een van die kwartelplantages bij Atlanta is In alles een man ontstaan. De verleiding was groot om een vervolg te schrijven op The Bonfire of the Vanities; New York City had nog wel een paar verhalen in zich, zeker in de jaren negentig, met een nieuwe burgemeester, verder verscherpte rassenverhoudingen en een steeds nadrukkelijker invloed van de media op de sociale werkelijkheid. Mijn oorspronkelijke opzet draaide om een projectontwikkelaar uit het Zuiden die naar New York verhuisde. Maar toen ik al een paar hoofdstukken had geschreven, begon ik mezelf te vervelen. Been there... ,,Een reisje naar Georgia, waar ik door vrienden werd rondgeleid, werkte als een bevrijding. De Nieuwe Rijkdom van Atlanta werd mijn setting, New York heb ik uit het boek geschreven. Dat ging over het algemeen probleemloos: zo werd een satirisch hoofdstuk over het kunstwereldje er alleen maar gerichter op als ik het in een provinciale, weinig verlichte metropool situeerde. Alleen een lange passage over een ijdele televisieproducer die de werkelijkheid ten eigen bate naar zijn hand zet, paste er niet meer in; maar hij leek ook wel erg op de roddeljournalist uit mijn vorige boek. Done that, vond ik, maar op aandringen van Jann Wenner (hoofdredacteur van Rolling Stone en oude vriend van Wolfe PS) heb ik zijn verhaal in 1997 als Ambush at Fort Bragg in Rolling Stone gepubliceerd.''

Grote oren

Tom Wolfe, die door zijn jongensachtige gezicht met felle bruine ogen en aandoenlijke grote oren nog geen zestig lijkt, praat zacht, met een glimp van een Zuidelijk accent; af en toe wordt hij overstemd door de toeters en sirenes die door het open raam naar binnen komen. Als de geboren ironicus die hij is, vertelt hij uiterst gestructureerd (en zorgvuldig formulerend) hoe chaotisch In alles een man tot stand kwam. ,,Ik ga nooit schrijven met een plot in gedachten. I find a setting and wait for the characters to materialize. Atlanta gaf me Charlie Croker, een nouveau riche met een denkraam van vóór de Burgeroorlog die desondanks sympathie oproept. Hij had een tegenpool nodig, en dat werd Conrad Hensley, iemand die in een van Crokers fabrieken aan de Westkust werkt, door de financiële overmoed van zijn baas werkloos wordt en uiteindelijk zelfs in de gevangenis belandt. Met Conrad had ik eindelijk een personage dat sommige critici in The Bonfire of the Vanities misten: iemand uit de werkende klasse.

,,Conrad had één probleem, hij was een verstokte optimist en eigenlijk te recht door zee om interessant te zijn. En dus gaf ik hem iets bijzonders, zoals je een ogenschijnlijk saai personage in een toneelstuk een pijp en een geheim geeft. Die pijp, dat werd de filosofie van de stoïcijn Epictetus die Conrad bij vergissing in de hel van de Santa Rita-gevangenis ontdekt. Het stoïcisme leert dat Zeus het leven hard en kort gemaakt heeft, en dat de mens zich in het aangezicht van de dood niet moet verlagen tot laf gedrag. Voor Conrad is het een steun bij zijn pogingen om zich te midden van het uitschot in de gevangenis staande te houden; dat lijkt vergezocht, maar ik kwam op het idee door de memoires van een Amerikaanse officier die een gevangenschap in Vietnam doorstond dankzij het Handboek van Epictetus. Mij sprak het stoïcisme trouwens ook erg aan, omdat het haaks staat op de levensfilosofie van de Amerikanen. De Verenigde Staten zijn een broeikas van bescherming en comfort; het stoïcisme, dat ervan uitgaat dat aan pijn, verdriet en teleurstelling niet te ontkomen valt, is als een welkome koude tocht.''

Het is duidelijk dat Charlie en Conrad voor Wolfe de belangrijkste personages zijn. Maar In alles een man is een symfonie van stemmen, en er zijn meer personages die de aandacht van de lezer trekken. De zwarte advocaat Roger White bijvoorbeeld, die worstelt met een schuldgevoel ten opzichte van zijn zwarte broeders in de arme wijken van Atlanta. De tragische Martha, die na 29 jaar huwelijk door Croker ingeruild wordt voor een trophy wife en binnen een mum van tijd lucht is voor haar vroegere vrienden en kennissen. Of de gemankeerde bankier Raymond Peepgass, die zijn frustraties omzet in een gedoemd plan om hogerop te komen. Allemaal worden ze perfect door Wolfe opgeroepen, met behulp van innerlijke monologen en door een precieze beschrijving van hun uiterlijk en hun manier van praten.

Vormen de personages voor u de ruggegraat van een roman?

,,Character is plot, zonder twijfel. Maar er is één ding dat nog belangrijker is: de maatschappelijke structuur waarin de personages zich bewegen – dat wat soms al te gemakkelijk de Zeitgeist wordt genoemd. Als Tolstoj Anna Karenina niet had gefundeerd op een perfecte analyse van het sociale leven in negentiende-eeuws Rusland, dan was zijn roman niet meer geweest dan een goed geschreven soap opera over de liefdesaffaire van een dame en een zwierige officier. En hetzelfde geldt voor Flauberts Madame Bovary. Niet het karakter van de hoofdpersoon bepaalt de roman, maar Emma's worsteling met de Franse standenmaatschappij.''

Dit klinkt als een pleidooi voor naturalisme in de literatuur.

,,Ik spreek liever over realisme. Een jaar na de publicatie van The Bonfire of the Vanities heb ik in een essay geschreven dat de introductie van het realisme in de roman vergelijkbaar is met die van elektriciteit in de techniek. Het streven van de achttiende-eeuwse schrijvers om de alledaagse werkelijkheid weer te geven zorgde voor boeken die de lezer meesleepten en opslorpten – en dat is het eerste dat literatuur moet doen. Het realisme gaf ons het oeuvre van Balzac en Zola, twee schrijvers die niet te beroerd waren om de straat of de mijnen in te gaan om het leven op papier te krijgen. Heel wat anders dan de Europese modernisten die in de jaren twintig en dertig de literatuur veroverden met de psychologische en de fragmentarische roman, om uiteindelijk het realisme grotendeels overboord te gooien. Alsof een ingenieur plotseling zou zeggen: ik heb schoon genoeg van die elektriciteit, laat ik eens wat anders proberen.''

Maar Amerika bleef toch van die ontwikkeling gevrijwaard? Loopt er geen ononderbroken lijn van de realist Mark Twain via Steinbeck naar Saul Bellow?

,,De Amerikaanse literatuur heeft lang standgehouden. Onze eerste winnaar van de Nobelprijs voor literatuur was Sinclair Lewis in 1930 – een realist naar mijn hart die voor Elmer Gantry, zijn satire op het religieuze leven, een zomer lang stage liep als invaldominee. Lewis en Hemingway, en ook mijn naamgenoot Thomas Wolfe, hielden de traditie hoog, maar in de jaren vijftig sloeg de verkettering van de realistische roman over naar Amerika. De wereld is een chaos, zei de schrijver-criticus Lionel Trilling de Europeanen na; de realistische roman heeft zijn beste tijd gehad, de toekomst is aan de ideeënroman. En dus keerden zelfs begaafde realisten als Philip Roth en Saul Bellow zich af van het soort literatuur waar zij en wij wel bij voeren. Amerika mag dan militair, economisch en wetenschappelijk de toon in de wereld aangeven, cultureel is het altijd een kolonie van Europa gebleven. En vasthoudend dat we zijn... Geloof het of niet, maar in dit land bestaan nog academici die weglopen met Derrida!''

Is de slinger van de literatuur inmiddels weer aan de andere kant? Roths laatste boeken zijn behoorlijk realistisch.

,,Ja, er zijn schrijvers die door schade en schande hebben geleerd dat these fine exquisite books geen lezers trekken en voor geen meter verkopen. Maar verder zie ik weinig hoopvolle ontwikkelingen. Tegenwoordig komen bijna alle Amerikaanse schrijvers van de universiteit, waar ze te horen hebben gekregen `write what you know'. Ik sluit niet uit dat iedere aankomende auteur één autobiografische roman in zich heeft. Maar daarna is het op, dan moet je verder, de maatschappij in en schrijven over wat je daar leert. Weinig auteurs hebben nu eenmaal de brede achtergrond waar Tolstoj een leven lang op kon teren.''

In de hoogtijdagen van de New Journalism zei u dat literaire technieken essentieel zijn voor goede reportages; nu zegt u dat het oog van de verslaggever essentieel is voor de literatuur.

,,Beide beweringen zijn waar. Laten zien hoe de wereld in elkaar zit, dat is mijn streven. Dat kan door middel van een journalistiek werk waarin je gebruik maakt van meervoudig perspectief, van dialogen en innerlijke monologen – zoals ik heb gedaan in mijn ruimtevaartboek The Right Stuff. Maar eigenlijk is het nog mooier als je een roman schrijft die je lezers over het algemeen als `waar' en `echt' herkennen, terwijl ze duidelijk kunnen zien dat je de specifieke details hebt verzonnen of overdreven.''

Zelfmoordvrieshuis

Hoe stellig Wolfe's beweringen ook zijn, hij blijft de rust zelve. Alleen als ik hem vraag hoeveel reportagewerk hij in In alles een man heeft gestoken, verheft hij even zijn stem. ,,Just about every inch of it was researched'', zegt hij, alsof daarover twijfel bestaat. ,,Ik heb eindeloos in en om Atlanta rondgezworven, niet alleen op de plantages en in de rijke buitenwijken, maar ook in de slechte buurten, die ten tijde van de Olympische Spelen op de officiële kaarten niet te vinden waren. Voor de hoofdstukken over Californië heb ik veldwerk verricht in de gevangenis en in het `zelfmoordvrieshuis' waar Conrad werkt. Ik ben zelfs naar Oakland gegaan om uit te vinden wat er gebeurt als je auto wordt weggesleept. Wie het industrieterrein ziet waar foutparkeerders hun boete moeten betalen, kan zich iets voorstellen bij Conrads woede en wanhoop.''

U heeft meer dan tien jaar over `In alles een man' gedaan. Hoe houdt de schrijver van een boek met zo'n lange wordingsgeschiedenis contact met de Zeitgeist?

,,Ik begin natuurlijk nooit aan een boek met het idee dat ik de Zeitgeist te pakken moet krijgen. Maar je moet zorgen dat je de werkelijkheid blijft benaderen. Soms vergt dat veel herschrijfwerk; zo is door de voorbereidingen voor de Olympische Spelen zowel de architectuur als het politieke leven van Atlanta ingrijpend veranderd. En soms heb je geluk. Door een dreigende recessie in het midden van de jaren negentig leken grote delen van In alles een man gedateerd te raken, maar voor ik me aan het herschrijven had gezet, begon de economie weer te bloeien.''

Een belangrijk thema in `In alles een man' is het verdwijnen van de aristocratische cultuur van het Oude Zuiden, onder de invloed van snel verdiend geld en veranderde machtsverhoudingen. Betreurt u die veranderingen, net als Charlie Croker?

,,Charlie is zich van zijn ironische positie niet bewust; hij speelt de Gone with the Wind-achtige aristocraat, maar is bij uitstek een exponent van het Nieuwe Zuiden, met zijn door speculatie verkregen geld. Voor hem is de cultuur van het Zuiden in de eerste plaats gebaseerd op mannelijkheid: een echte Zuiderling is iemand die zijn eigen landgoed bestiert, zijn eigen voedsel verbouwt, woeste hengsten en ratelslangen bedwingt en zelf afrekent met indringers. Het is makkelijk om daar lacherig over te doen, maar het ideaal van self-sufficiency heeft ook iets bewonderenswaardigs. Voor de meeste Amerikanen is er geen leven buiten de supermarkt. You may need men like Charlie in case of emergency.''

Charlie is maar een van de vele personages in `In alles een man' die worstelen met het ouder worden, met hun fysieke teloorgang. Heeft die thematiek te maken met de hartproblemen waarmee u een paar jaar geleden kampte?

,,Charlie bestond als personage lang voor mijn bypass-operatie. Toen ik mijzelf nog onsterfelijk voelde, was hij al iemand die uit de gratie van het Lot was geraakt: een arm geworden rijkaard, een brok vitaliteit gereduceerd tot onmacht. Mijn eigen gezondheidsproblemen hielpen uiteindelijk wel om op basis van ervaring Charlie's depressies en slapeloosheid te beschrijven; ik droeg mijn eigen symptomen gewoon op hem over.

,,De hartklachten hebben me meer als mens dan als schrijver veranderd. Vroeger was ik een body snob; ik zag iemand op straat met een buikje en dacht bij mezelf `You're a dead man'. Mensen van mijn leeftijd leken altijd ouder dan ik, al was het alleen maar omdat ze zich niet konden kleden – na je 35ste heb je een jasje nodig om je krimpende schouders te camoufleren, en een hoge boord plus das tegen de rimpels in je nek. Tot mijn 65ste had ik nog nooit over ouderdom nagedacht, ik leefde in een Indian summer. Dan valt plotseling de winter in, net als in het beroemde liedje van Walter Huston (Kurt Weills `September Song' PS): `It's a long long while from May to December/ But the days grow short when you reach September.'

In alles een man is een prachtig boek, maar het heeft een teleurstellend einde, waarin de schrijver in een té kort bestek alle verhaallijnen aan elkaar heeft geknoopt. Als ik Wolfe vraag of hij zich door zijn ziekte opgejaagd voelde, geeft hij toe dat hij zich gehaast heeft, maar dat dat meer de schuld was van de uitgeverij, die het boek `onomkeerbaar' in de najaarsaanbieding van 1998 had gezet. Wolfe gelooft niet dat het einde er beter op was geworden als hij het honderd bladzijden langer had gemaakt: ,,Het gaat erom dat de bekering van Charlie tot het stoïcisme aannemelijk wordt gemaakt. Een veelbeproefd man als hij, tot wie anders dan Zeus kan hij zich nog wenden?''

Amusement

Over het einde waren de meningen verdeeld, maar in het algemeen kreeg In alles een man enthousiaste kritieken. Behalve van twee beroemde collega's van Wolfe. In een exceptioneel lang artikel in de New York Review of Books (Wolfe: ,,Echt, het onderwerp interesseerde me, maar ik kon mezelf er niet van weerhouden om grote stukken over te slaan'') zei Norman Mailer dat Wolfe liever een bestseller schrijft dan een `major novel'. In de New Yorker oordeelde John Updike: dit is amusement, geen literatuur. Ik vraag Wolfe om commentaar, nadat ik gezegd heb dat het in Nederland bijna nooit voorkomt dat de ene grote schrijver de andere recenseert.

,,In Amerika is het ook een ongebruikelijke figuur: twee oude rammelkasten die opstaan van hun strozakken om een derde beentje te lichten. Het zal de kift wel zijn; per slot van rekening worden zij nauwelijks meer gelezen. Updikes laatste boek verscheen tegelijk met het mijne, it sank without a bubble. Mailers recente autobiografie van Jezus verdween zo snel van de radarschermen dat hij nu de propagandist is geworden van een hele nieuwe kosmologie, waarin populariteit gelijk is aan literair onbenul; zodat een boek met 500 verkochte exemplaren tot de pure literatuur gerekend moet worden. Dit is een idee dat Shakespeare zou verbijsteren. Het zou Dickens verbijsteren, en het zou ook de jonge Norman Mailer verbijsteren. Die negatieve kritieken van literaire reuzen in het nauw beschouw ik dan ook als fluiten in het donker.''

Hoewel we meer dan twee uur hebben zitten praten, maakt Wolfe niet de indruk dat hij op hete kolen zit. ,,Per slot van rekening heb ik u een half uur laten wachten'', zegt hij voordat hij ingaat op mijn laatste vraag. In welk van de in zijn oeuvre zo beeldend beschreven decennia heeft hij zich het best thuisgevoeld?

Wolfe: ,,Ik heb genoten van ieder tijdperk dat ik heb meegemaakt. De sixties waren natuurlijk het ingrijpendst, omdat alle maatschappelijke ontwikkelingen sindsdien – van vrije seks tot New Age – daar hun oorsprong vonden. De jaren tachtig waren spannend door de economische boom en de opkomst van de yuppie, en de jaren negentig zijn voor de Amerikaanse chauvinist the best of times: we zijn niet alleen een supermacht, maar we worden ook gerespecteerd – zelfs door Franse intellectuelen. In retrospect stelden alleen de seventies teleur: de economie zat in een crisis en John Travolta gaf de dragers van witte pakken een slechte naam.''

Als Wolfe me even later begeleidt naar de inpandige lift van zijn appartement, vertelt hij over zijn plannen voor een nieuwe roman. Hij lacht om de veelgehoorde stelling dat In alles een man, gegeven de gezondheidstoestand en het werktempo van de schrijver, beschouwd moet worden als zijn laatste boek. ,,Onderwijs wordt hét thema van het komende decennium, al was het alleen maar omdat de invloed van de wetenschap op het dagelijks leven exponentieel toeneemt. Mijn volgende boek zou dus wel eens een campusroman kunnen worden. Ik heb mezelf een harde deadline gesteld, najaar 2002, en over een maand begin ik met de journalistieke voorbereidingen, op de universiteit van Stanford. Literatuur begint met verslaggeving, dat is wat sommige van mijn collega's niet beseffen. En vóór alles geldt: reporting is not a skill, it's an attitude.''

Tom Wolfe: In alles een man. Vert. Gerda Baardman, Christien Jonkheer en Marian Lameris. Uitg. Prometheus, 700 blz. Prijs ƒ55,- en ƒ75,- (geb.) De Engelse editie verscheen bij Jonathan Cape.