Vrijheid of dwang (2)

Het gloedvolle betoog van Jan Marijnissen (NRC Handelsblad, 5 maart), voor de herinvoering van de opkomstplicht is mij uit het hart gegrepen. Toch wil ik enkele kanttekeningen plaatsen.

1. Ons parlementaire stelsel is ongeveer 150 jaar oud en is sinds die tijd nauwelijks meer structureel veranderd, met uitzondering van het vrouwenkiesrecht misschien.

2. We moeten ons realiseren dat 150 jaar geleden Nederland er echt anders uitzag dan tegenwoordig. Er woonden ongeveer twee miljoen mensen, er was geen radio, televisie of telefoon. Vrouwen telden letterlijk niet mee. Een groot gedeelte van de bevolking was analfabeet. De Tweede Kamer voldeed aan de eisen van die tijd.

3. Dat de kiezer nu op zijn klompen aanvoelt dat men ronduit slecht wordt vertegenwoordigd komt inderdaad het best tot uiting in de stemverhouding tussen de arme en de rijke wijken, terecht aangehaald door Marijnissen. Hoe beroerder het iemand gaat, des te meer heeft hij de politiek te verwijten. `Men doet toch maar', is het overheersende gevoel. De gang naar het stemhokje geeft geen gevoel van medezeggenschap, maar eerder een gevoel van machteloosheid, dus stemt men niet.

4. De inhoud van de politieke verantwoordelijkheid blijkt op de keper beschouwd altijd een wassen neus te zijn. Talloze affaires van de afgelopen jaren getuigen hiervan. De pluchegehechtheid levert een grote bijdrage aan de desinteresse bij de kiezer.

5. Serieuze signalen uit de samenleving worden willens en wetens genegeerd, tenzij ze via de media naar buiten komen. Voor een modale politicus geldt zijn populariteit en veel minder het volksbelang.

Het laatste is van alle tijden en daar zal weinig aan te doen zijn, vrees ik, maar het maakt de politiek er niet populairder op.