Traject werkzoekende moet korter

De overheid is uiterst klantonvriendelijk voor werklozen die een baan zoeken, menen Jan Laurier en Theo Terhorst.

Het gaat om wie de macht heeft en wat de markt krijgt

Het plan was mooi en inspirerend: na 2000 zouden werkzoekenden terecht kunnen bij één loket voor zowel werk als inkomen. Op veel plaatsen in het land gingen arbeidsbureaus, sociale diensten en UVI's (de uitvoeringsinstellingen) voortvarend aan de slag. Lang voordat het wettelijk verplicht wordt, zijn Centra voor Werk en Inkomen (CWI's) ontstaan, en op de meeste plaatsen in het land hebben partners afspraken gemaakt hoe deze moeten worden vormgegeven. Er moeten nog veel problemen overwonnen worden, maar het begin en het enthousiasme zijn aanwezig.

Inmiddels zijn we een regeerakkoord en een kabinetsnotitie verder. De inspirerende lokale samenwerkingsinitiatieven van uitkeringsinstanties en arbeidsbureaus om de dienstverlening op het gebied van werk en inkomen te verbeteren, is verworden tot een loopgravenstrijd om het ene loket en de daarbij behorende gelden. Landelijke politiek en landelijke organisaties hebben het gedachtegoed van `Samenwerking Werk en Inkomen' fors bijgebogen en onderwerp gemaakt van duw- en trekwerk en landelijke compromissen. Samenwerking zucht onder het juk van structuurdiscussies. Het gaat er nu om wie de macht heeft en wat de markt krijgt. Waar is in dit geweld van discussies de klant gebleven? Is het resultaat van het landelijk duw- en trekwerk in de loopgraven nog wel een verbetering voor de klant?

In de Rijnstreek, het gebied tussen Hillegom en Schoonhoven, met plaatsen als Katwijk, Lisse, Leiden, Alphen en Gouda, is een aantal verschillende uitvoeringsorganisaties met een externe deskundige om de tafel gaan zitten om de klantvriendelijkheid van de nieuwe centrale opzet te bekijken. Zij bekeken de route van de klant met een CWI als zelfstandige, landelijk aangestuurde organisatie. De analyse en conclusie waren voor de bestuurders onthutsend. Het CWI als onafhankelijke, aparte, landelijk aangestuurde organisatie levert de klant vooral een extra loket op.

We lopen mee met mevrouw Barendse in het CWI van na 2000, tenminste als de huidige plannen werkelijkheid worden. Zij is moeder van een kind van 12, is net alleen komen te staan, heeft lang niet gewerkt en dus, zoals in het jargon heet, een `grote afstand tot de arbeidsmarkt'. Het zal tijd vragen en investeringen kosten voordat zij een baan kan vinden. Mevrouw Barendse meldt zich bij de Sociale Dienst in gemeente V. (contact 1). Daar wordt ze doorverwezen naar het Centrum Werk en Inkomen in de gemeente L. (contact 2). Zij komt binnen, ziet borden en terminals met tal van voor haar voorlopig nog niet bereikbare vacatures. Bij de balie krijgt zij een formulier voor de `administratieve intake', de eerste inschrijving wordt haar uitgelegd. Mevrouw Barendse krijgt na het invullen van deze formulieren te horen dat zij terug moet komen voor een vervolggesprek. Zij krijgt een boodschappenlijst mee van documenten en informatie die ze bij zich moet hebben.

Na het tweede gesprek (contact 3) waarbij zij `geïndiceerd' wordt volgens de landelijke `kansmeter', krijgt mevrouw Barendse te horen dat ze is ingedeeld in fase 3. Dit wil zeggen dat ze een werkzoekende is met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Het ziet er overigens wel naar uit dat ze recht heeft op een bijstandsuitkering, maar daar gaat het Centrum niet over, legt de klantvriendelijke ambtenaar haar uit. Daarvoor wordt zij verwezen naar de Sociale Dienst van de gemeente V. Overigens, voor de eventuele scholing en opleiding die ze nodig heeft om een baan te vinden moet ze terug naar gemeente V., want het CWI van na 2000 richt zich vooral op mensen met een relatief `korte afstand' tot de arbeidsmarkt.

Mevrouw Barendse maakt een afspraak bij de Sociale Dienst van haar eigen gemeente V. en krijgt te horen dat zij de nodige formulieren moet invullen en informatie geven om het recht op uitkering te kunnen laten vaststellen (contact 4). Tijdens het gesprek blijkt inderdaad dat zij recht heeft op een uitkering. Haar wordt beloofd dat dit zo snel mogelijk in orde komt. En passant legt men haar uit voor welke voorzieningen zij in het kader van het minimabeleid en gemeentelijk kwijtscheldingsbeleid in aanmerking komt.

Maar mevrouw Barendse wil ook graag een baan. Zij wordt doorverwezen naar een niet minder klantvriendelijke collega, die misschien een traject kan inkopen bij het commerciële bureau, waarmee de gemeente een contract heeft (contact 5). Het kabinet lijkt overigens bij wijze van compromis van zins de wettelijke taken van inschrijving voor de arbeidsmarkt en de daadwerkelijke activiteiten voor `integratie op de arbeidsmarkt' te splitsen in een publiek en een privaat deel. Contact 6 (de uitkering is nu gelukkig geregeld) vindt plaats met een op `werktoeleiding' gespecialiseerde medewerk(st)er van de Sociale Dienst. Ze heeft geluk: de persoon in kwestie onderschrijft de analyse van het CWI en dit leidt tot doorverwijzing naar het commerciële integratiebedrijf dat de gemeente heeft ingehuurd (contact 7). Na een alweer even klantvriendelijk gesprek brengt het bedrijf een offerte uit en na instemming van de gemeente kan zij daadwerkelijk met de scholing c.q. opleiding beginnen. Het is de vraag of mevrouw Barendse ooit nog naar het Centrum voor Werk en Inkomen zal terugkeren om naar het aanbod van vacatures te kijken.

Conclusie van de analyse (bij mevrouw Barendse is alles nog volgens het boekje gegaan): de kans dat de klant het CWI als een extra loket, als een extra hindernis, zal ervaren is groot. De kans dat hij of zij het CWI zal mijden op het moment dat hij/zij merkt dat daar toch geen echte zaken worden gedaan is reëel. Voor iemand met een wat grotere afstand tot de arbeidsmarkt kan je er noch terecht voor werk noch voor inkomen.

Waar gaat het mis? Het oordeel van de klant over de nu reeds functionerende Centra is, blijkt uit het onderzoek, redelijk positief. Voor ons ligt de crux in het loslaten van de oorspronkelijk van onderop ontwikkelde samenwerkingsconcepten, door het opleggen van boven van een nieuwe, onafhankelijke landelijke organisatie. Deze nieuwe organisatie werkt met eigen standaarden en eigen personeel en bestrijkt maar een klein deel van de weg van een uitkering naar een eigen inkomen via werk. De nu voorgestelde overgangen (knips) tussen de gegevensverzameling door het CWI en de beoordeling van de uitkeringsaanvraag enerzijds en de `kwalificerende intake' en het opstellen van een `reïntegratietraject' anderzijds, zijn niet in het belang van de klant en in elk geval niet efficiënt.

Laat de Tweede Kamer, een bewindspersoon of misschien zelfs een goed extern bureau nog eens nuchter kijken naar het nu voorgestelde totaalconcept Werk en Inkomen, naar het resultaat dat uit de loopgravenoorlog naar voren is gekomen. Het líjkt nog maar weinig te maken te hebben met het oorspronkelijke frisse idee waar de uitvoerders in geloofden.

Velen kennen inmiddels de prachtige glazen piramide, de nieuwe toegang tot het Louvre: je staat in een lange rij om binnen te komen. Binnen is een grote hal waar je in de rij mag staan voor één van de loketten, vervolgens mag je met je kaartje naar één van de drie toegangen tot het eigenlijke Louvre. Moraal van het verhaal: een voorgeschoven entree is misschien een verfraaiing, maar nog geen verbetering voor de klant. En als het zo doorgaat, stevent de werkzoekende uitkeringsgerechtigde met het nu voorgestelde Centrum voor Werk en Inkomen van na 2000 heel snel op een eigen, bijzonder millenniumprobleem af.

Theo Terhorst is voorzitter van het Regionaal Bestuur Arbeidsvoorziening Rijnstreek en Jan Laurier is wethouder Werkgelegenheid, Sociale Zaken, Wijk- en Stedelijk Beheer in de gemeente Leiden.