Schizofreen tuinieren

Het woord `natuurtuin' is absurd. Natuur en tuin zijn met elkaar in tegenspraak. Tuinieren is manipuleren en je moet wel erg stoïcijns – of lui – zijn als je in je tuin genoegen neemt met een natuurlijke jungle van distels en brandnetels. Vergis u niet, ook in heem- en natuurtuinen wordt onderhoud gepleegd en worden soms dieren verjaagd of bestreden. Die bestrijding gebeurt weliswaar biologisch, maar zou het de bladluis wat uitmaken of hij door de gifspuit of door een gekweekte sluipwesp om het leven wordt gebracht?

Toch valt er een kentering te bespeuren in de manier waarop er over tuinen en tuinieren wordt gedacht. Twintig jaar geleden werden madeliefjes in het gazon zonder pardon doodgespoten; nu zijn klaver en weegbree allang salonfähig en draadereprijs – vroeger een gevreesd gazononkruid – wordt tegenwoordig voor ƒ3,50 per potje verkocht.

Natuurlijk, dit zijn onbenullige details, maar misschien zijn het de eerste symptomen van een mentaliteitsomslag. Het zou mij niet verbazen als we, naarmate er buiten de tuin steeds meer natuur teloorgaat, op ons eigen erf datgene probeerden te herscheppen wat daarbuiten verdwenen is. En er zijn meer tekenen aan de wand; onkruid in tuinen wordt nog altijd chemisch bestreden, maar niet meer zo openlijk als vroeger en bij voorkeur als niemand kijkt.

Nee, over de toekomst van het tuinonkruid hoeven we ons geen zorgen te maken. Het zijn de dieren in de tuin die nog altijd aan het kortste eind trekken. Vorig jaar is de verkoop van dierenbestrijdingsmiddelen in tuincentra fors toegenomen. Voor een deel is dat te wijten aan de natte zomer, waardoor de omzet van slakkenkorrels is verdubbeld. Het besef dat dieren net zo goed in de tuin thuishoren als planten en dat flora en fauna onafscheidelijk zijn, lijkt maar niet tot tuinierend Nederland door te willen dringen. We zijn zo van de natuur vervreemd, dat we in onze voortuin een vlinderstruik planten omdat we zo dol zijn op vlinders en in de achtertuin de rupsen van de bloemkool spuiten. We zijn terug in de 17de eeuw, toen de mooiste bloemstillevens geschilderd werden zonder dat men enig idee had waar stampers en stuifmeel, bloemkleur en honingmerk, toe dienden. Vogels, vlinders, kikkers – en natuurlijk het schattige egeltje – worden in de tuin verwelkomd terwijl tegelijkertijd hun voedsel wordt vergiftigd. Schizofreen tuinieren, als je het mij vraagt.

Wat wij nodig hebben, is een nieuwe Jac. P. Thijsse, die aan een groot publiek weet uit te leggen dat wie mieren bestrijdt, de groene specht zijn voedsel ontneemt en dat het geen zin heeft om nestkastjes voor de koolmees aan een boom te nagelen in een tuin zonder luis. Misschien zou de Evangelische Omroep wat meer documentaires moeten uitzenden over nederige insecten, in plaats van over het trotse jachtluipaard, de koninklijke steenarend en de intelligente dolfijn. Ook de pruimenmot, de regenworm en het kroosvlindertje behoren tot de schepselen Gods. Denkt u nu niet dat ik sta te juichen als de slakken mijn aardbeien opeten of als een mol mijn terras ondermijnt, maar alles weten is alles vergeven en wie zich eenmaal in het wondere leven van de melige koolluis heeft verdiept, zal de drang om een chemische oorlog tegen het dier te beginnen, voelen afnemen.

Ik bespreek voor deze krant soms tuinboeken, maar niet vaak, want de meeste tuinboeken die verschijnen vallen onder de noemer `meer van hetzelfde'. Op het laatst kun je geen buxusbol meer zien. Een boek dat veel meer aandacht verdient dan het heeft gekregen, is het vorig jaar verschenen `Geen tuin zonder dieren' van Rosita Moenen, waarin veel dieren die je in de tuin kunt tegenkomen, beschreven worden. Van oorwurm tot stekelbaars en van emelt tot ekster. Voor wie vogels, vlinders, kevers of huisjesslakken op naam wil brengen, zijn er allerlei gespecialiserde gidsen verkrijgbaar en wie de naam van een tuinplant wil weten, grijpt naar 100, 1000, of 5000 `Tuinplanten in kleur', al naar gelang de plant gewoon, of zeldzaam is. Maar boeken over de samenhang van flora en fauna zijn er niet veel en dat is nu juist het meest fascinerende terrein. De laatste regels van `De bloemen en haar vrienden' van Jac. P. Thijsse, uit 1934, luiden: `Ge begrijpt, dat we aan al deze dingen nog lang niet uitgekeken zijn en dat er hoogst waarschijnlijk met de bloemen en de insecten nog heel wat gebeurt, waar we geen erg in hebben. Het nieuwtje is er nog lang niet af.'

De oude Jac. P. heeft gelijk, maar dan moeten we die insecten wel tijd van leven gunnen.