Scepsis over effect Chinese bestedingsimpuls

Het deze week begonnen Chinese Volkscongres wijst vooral naar de Aziatische crisis als oorzaak voor economische problemen, maar interne factoren spelen een even grote rol.

Door alle kopstukken van het politiek bestuur van China is de afgelopen dagen, tijdens de jaarlijkse voltallige zitting van het Nationaal Vokscongres, het Chinese parlement, verwezen naar de sombere gesteldheid van de Chinese economie. Over de oorzaak van de daling van de economische groei zijn allen het eens: de financiële crisis in Azië. Maar een blik op de cijfers en plannen die de afgelopen dagen zijn gepresenteerd bevestigen het vermoeden dat interne factoren evenveel negatieve invloed hebben op de Chinese economie.

De belangrijke vraag die de gemoederen in Peking bezig houdt, is of het land in staat zal zijn voldoende groei te creëren die noodzakelijk wordt geacht voor het behoud van de binnenlandse stabiliteit. Volgens premier Zhu Rongji lukt dat, maar hij wekte deze week aanmerkelijk minder vertrouwen dan een jaar geleden, toen hij een groei van acht procent voorspelde. Dat, zo weten we inmiddels, werd 0,2 procent minder, maar niemand gelooft dat de onderliggende statistieken accuraat zijn. De belofte dat China dit jaar een groei zal behalen van 7 procent verdient derhalve bekeken te worden met de nodige scepsis.

Een belangrijke reden daarvoor is de keuze voor de omvangrijke bestedingspolitiek die Peking heeft aangekondigd. Dat is de methode waarop de Chinese regering de groei in de economie denkt te kunnen houden. Het begrotingstekort, zo is afgelopen week aangekondigd, mag daartoe oplopen tot 150,3 miljard yuan (36 miljard gulden), maar liefst 57 procent meer dan in het jaar ervoor. Een flink gedeelte van dat geld, dat vergaard zal worden door middel van de uitgifte van staatsobligaties, zal evenals het afgelopen jaar,worden besteed aan openbare werken.

Uitgesproken Chinese economen, zoals Wu Jinglian, die premier Zhu Rongji van advies heeft voorzien, hebben gewaarschuwd voor het creëren van een `zeepbel-economie'. Wu stelt terecht dat van het geld dat de afgelopen jaren door de overheid in de onroerendgoed sector is gepompd, weinig is overgebleven. En velen met hem twijfelen aan de waardevastheid van slecht geplande en overhaaste infra-structurele projecten.

Gilbert Choy, econoom van het investeringshuis Dresdner Kleinwort Benson uit Hongkong, stelt in een publicatie uit die stad dat, hoewel de bestedingspolitiek resulteert in meer banen, de consumptie in China niet groeit. Chinezen zijn in deze tijden van economische krapte nu eenmaal niet erg kooplustig en meer geneigd te sparen.

Om die reden is het vermenigvuldigingseffect (multiplier) van een investering in China flink omlaag gegaan in de afgelopen jaren, van 5,9 keer in 1996 tot 2,1 keer het afgelopen jaar. Met andere woorden, aldus Choy, na iedere Chinese yuan die China heeft besteed aan infrastructurele projecten, neemt het nationaal inkomen met 2,1 yuan toe. Een andere probleem geldt de toename met 36 miljard gulden van het begrotingstekort. Hoewel het tekort met twee procent van het bbp volgens de internationale norm overzichtelijk is, heeft China gemakshalve een bedrag van 64 miljard gulden aan rentebetalingen over staatsobligaties niet meegerekend in dat tekort. De afbetaling van rente over uitstaande schulden is een groeiend probleem. Volgens een rapport van de Chinese Academie voor sociale wetenschappen ging daar bijna een kwart van de begroting van vorig jaar aan op, aanmerkelijk veel meer dan de vier procent van vijf jaar geleden. Buitenlandse economen hebben gewaarschuwd voor het ontstaan van de absurde situatie, waarbij China wordt gedwongen obligaties uit te geven voor de financiering van rentebetalingen over andere obligaties. Ook de private sector, de belangrijkste motor van de Chinese economie, is niet blij met de bestedingspolitiek van Peking. Hoewel gisteren, tijdens een bijeenkomst van het Volkscongres, amendementen van de grondwet zijn besproken die zelfstandige ondernemers meer rechten moeten verschaffen in het communistisch bestel, zorgden uitgerekend de omvangrijke staatsobligaties er afgelopen jaar voor dat weinig investeringsruimte overbleef voor de private sector.

De sector, die het merendeel van de afgevloeide of werkloze staatsarbeiders absorbeert, klaagt over de versterking van de hand van de centrale overheid in het uitstippelen van de ontwikkelingen in de binnenlandse markt. De belofte vandaag van Dai Xianglong, de gouverneur van de Chinese centrale bank, dat staatsbanken voortaan meer geld zullen lenen aan zelfstandige ondernemers, overtuigt dan ook geen ondernemer in China, zolang machtigere mensen als president Jiang Zemin het tegendeel suggereren. Jiang zei afgelopen maandag – de zorgwekkende staat van de Zuidkoreaanse familie-conglomeraten (chaebol) ten spijt – dat China in de toekomst energie en geld moet besteden aan de vorming van ,,omvangrijke staatbedrijven en grote conglomeraten'' die de ,,stuwende kracht'' moeten worden voor de nationale economie. Zelfstandige ondernemers, die meer aan zichzelf hebben te danken dan aan de staat, zien niet in waarom. Zij immers verschaffen hun personeel aanmerkelijk meer stabiliteit dan de staatsbedrijven.