Oud-ministers spreken elkaar tegen

Na `Bijlmerboy' Van Gijzel gisteren was het vanmorgen de beurt aan oud-minister Maij-Weggen om voor de enquêtecommissie Bijlmerramp te getuigen. Het werd de oud-bewindsvrouwe even te machtig.

Gespannen en wat in elkaar gedoken, de handen stijf voor zich op de tafel, gaf voormalig minister van Verkeer en Waterstaat H. Maij-Weggen vanmorgen tekst en uitleg voor de enquêtecommissie over haar optreden na de vliegramp in de Bijlmer in 1992. Tot commissielid R. Oudkerk haar een ogenschijnlijk onschuldige vraag stelde over een aanvaring met vooronderzoeker H. Wolleswinkel in december 1992.

Daarop werd het de doorgaans zo koele Maij plotseling allemaal te machtig. ,,Dat was ook de tijd van het ongeluk bij Hoofddorp en dat van Faro. Het was een verschrikkelijke tijd'', zei ze nog, nam een slokje water, en liet na een lange stilte haar tranen de vrije loop. Voorzitter Meijer had geen andere keus dan de vergadering voor enkele minuten te schorsen.

Maij had toen al onthuld dat niet zij, maar de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, I. Dales, op de avond van de ramp al was aangewezen als coördinerend bewindspersoon voor de afwikkeling van het ongeluk. Bij de buitenwacht, zo zei ze, was ten onrechte wel eens een ander beeld gerezen. Deze mededeling stond overigens haaks op de bewering van oud-minister van Justitie, E. Hirsch-Ballin, die juist had verklaard dat Maij het voortouw bij de afwikkeling van de ramp had gehad.

Maij stelde zich vierkant achter haar voormalige directeur van de Rijksluchtvaartdienst (RLD), J. Weck, die had verklaard niets te hebben geweten van berichten kort na de ramp dat er zich gevaarlijke stoffen aan boord van het verongelukte El Al-toestel hadden bevonden. ,,Hij liegt niet. Ik geloof absoluut de heer Weck.'' Ze zei dat G. Knook, de medewerker van de Luchtverkeersbeveiliging die had verklaard dat hij Weck daarover wel had ingelicht, zich vergist moet hebben.

Volgens Maij handelde het zich bij deze informatie, waarover een aantal luchtverkeersleiders onderling afspraken die `onder de pet te houden', als ,,een geweldige misinformatie''. Wel gaf ze toe dat het achteraf bezien wellicht goed zou zijn geweest om dit bericht nog eens te bespreken om latere misverstanden uit de wereld te helpen.

Maij ging verder in op haar verhouding met Wolleswinkel, die het onderzoek naar de oorzaak van het ongeluk leidde. Ze zei over hem dat hij ,,geen makkelijk mens'' was. Ze had echter wel veel vertrouwen in hem. Ze besefte dat het lastig was dat hij niet geheel onafhankelijk was, zoals onder de wet, die sinds 1993 van kracht was, eigenlijk was vereist. Hij was immers ook directeur van de luchtvaartinspectie. Maar ze voegde er aan toe: ,,Als er iemand is die onafhankelijk kan optreden, dan is het wel de heer Wolleswinkel.''

Gistermiddag was al de beurt geweest aan de best-ingewijde parlementariër in het Bijlmer-dossier, het PvdA-Kamerlid R. van Gijzel. Nog voor het commissielid Augusteijn goed en wel haar vraag had beëindigd, begon Van Gijzel al met de gedetailleerde beantwoording daarvan. De `Bijlmer-boy', zoals hij in de Tweede Kamer de afgelopen jaren wel eens spottend is genoemd, popelde om na zes weken van openbare verhoren voor de enquêtecommissie eindelijk zijn visie op het dossier te geven. Meer dan wie ook had hij zelf er immers toe bijgedragen dat er daadwerkelijk een parlementaire enquête van de grond kwam.

Van Gijzel hekelde, evenals Kamerleden van D66 en GroenLinks voor hem, dat de Kamer vaak onvolledig of onjuist was ingelicht omtrent de aard van de lading. Opmerkelijk was dat Van Gijzel, die met zijn aanhoudende vragen naar onopgehelderde aspecten van de Bijlmer-zaak vaak een kwelgeest vormde voor oud-minister van Verkeer en Waterstaat A. Jorritsma, haar gisteren juist in bescherming nam. ,,In verhouding tot anderen heeft Jorritsma haar best gedaan'', zei hij. ,,Via de Rijksluchtvaartdienst is er van alles geprobeerd. Er is wel aan getrokken.''

Anders dan andere Kamerleden, die gisteren voor hem waren gehoord, had Van Gijzel ook enkele nieuwtjes. Zo onthulde hij dat hij uit goede bron had vernomen dat er op woensdag 7 oktober 1992 overleg had plaatsgehad bij de Rijksluchtvaartdienst (RLD) over de vondst van verarmd uranium in hangar 8. Daar werden de wrakstukken opgeslagen van de El Al Boeing, die drie dagen eerder op de Bijlmer was neergestort. Bij het overleg werd besproken of de hulpverleners en bergingswerkers, die nog druk aan het werk waren in de Bijlmer, hierover moesten worden ingelicht, zodat ze beschermende kleding konden aantrekken. Volgens de bron van Van Gijzel werd afgesproken dat niet te doen ,,omdat daar gezeik van komt''. Hij had de commissie de namen verstrekt van twee RLD'ers, die het overleg hadden bijgewoond. Het PvdA-Kamerlid meldde de commissie nog een nieuwtje. De plaatsvervangend directeur van de rijksverkeersinspectie gaf hem via een fractiegenoot het advies om goed naar de lading te kijken ,,want die klopt niet''. Oud-minister Maij-Weggen zei daar vanmorgen over dat ,,vreemd''te vinden omdat zij de inmiddels overleden ambtenaar goed heeft gekend. ,,Hij zou het mij onmiddellijk hebben gemeld'', aldus Maij.

Met andere Kamerleden was Van Gijzel op 8 oktober 1992 aanwezig bij een bespreking op het ministerie van Verkeer en Waterstaat, waar de RLD en de Luchtverkjeersbeveiliging hen bijpraatten over de ramp. ,,De minister was er ook, maar ze ging al na een paar minuten weg. Ze zei: gelet op de onafhankelijkheid van het onderzoek is het beter dat ik ga'', aldus Van Gijzel. Ook vertelde hij in het voorjaar van 1995 de BVD te hebben ingelicht over een aantal bijzonderheden, die hij via voormalig El Al-medewerker J. Plettenberg en een niet nader genoemde El Al'er had gehoord. Zo kwam het voor dat er wapentransporten met El Al-toestellen werden vervoerd. Bovendien arriveerde de lading voor El Al vaak pas een half uur voor vertrek, waardoor – in strijd met de regels – controle niet altijd meer mogelijk was. Van Gijzel nam hierover ook Jorritsma in vertrouwen. Hij hoorde er echter verder niets meer van. Integendeel, Jorritsma vertelde de Kamer kort daarop dat alle papieren van de noodlottige vlucht inmiddels beschikbaar waren en dat alles in orde was.

Ex-burgemeester van Amsterdam E. van Thijn noemde de beslissing om de berging te versnellen ,,het moeilijkste besluit'' dat hij in het beleidscentrum had genomen. Hij was zich er ook van bewust geweest daarmee ,,een groot risico'' te hebben genomen, omdat de werkzaamheden dan niet langer zouden worden stil gelegd bij het vinden van stoffelijke resten. Eerder heeft de commandant van het Rampen Identificatieteam (RIT) voor de commissie verklaard dat het graven dan wel even werd gestopt. Burgemeester S. Patijn van Amsterdam maakte de enquêtecommissie op twee punten een verwijt. Hulpverleners van brandweer en politie hadden het gevoel gehad ,,in de beklaagdenbank'' te zitten toen ze enkele weken geleden door de commissie werden verhoord. En, zoals Patijn zei, de opbouw in de vraagstelling over de gevaarlijke lading hadden zoveel onrust bij de diverse korpsen veroorzaakt dat een massale werkstaking dreigde. Daarom had hij zich genoodzaakt gevoeld een geruststellende brief te schrijven met het aanbod van een medisch onderzoek.