Om dichters die jong sterven ontstaat gemakkelijk ...

Om dichters die jong sterven ontstaat gemakkelijk iets van een cultus. Een cultus leeft bij de gratie van projectie en extrapolatie. We denken onszelf te herkennen in de ander. We scheppen ons een beeld van hoe de ideale ander er uit moet zien. Wie jong sterft laat daar genoeg ruimte en mogelijkheden voor open.

Nog mooier is het als de jonge dichter de hand aan zichzelf slaat. De speculatie doet dan z'n intrede. Het reddersinstinct van de discipelen. Als een dichter jong zelfmoord heeft gepleegd en er bovendien in zijn werk een duidelijke voorafspiegeling van heeft gegeven is de mythevorming haast onontkoombaar. Het beeld van de dichter als eeuwig jong, als offerlam en als profeet is in dat geval volledig.

De Duitse expressionist Georg Heym (1887-1912) verdronk bij het schaatsen. Het is 'n bekend verhaal dat hij twee jaar voor zijn dood in zijn dagboek uitvoerig verslag deed van een droom waarin hij door bevroren water zakte. `...ik zonk weg in een groen, slijmerig water, rijk aan slingerplanten.' Er hoefde geen zelfmoord aan te pas te komen. Dat was wél het geval met Ingrid Jonker, de Zuid-Afrikaanse dichteres die zichzelf verdronk bij Drieankerbaai, in de zee bij Kaapstad. In haar debuut uit 1956 kwam al een gedicht voor, Ontvlugting geheten, met de volgende slotregels:

My lyk lê uitgespoel in wier en gras

op al die plekke waar ons eenmaal was

– het is een gedicht over een baai waarin ze haar uiteindelijke bestemming vindt. Ingrid Jonker was dus voorbestemd om een mythe te worden. Ze vertegenwoordigt in de Afrikaanse poëzie de mythe van de belofte, van de vernieuwing, van de moderne poëzie. Niet langer van het verleden, nog niet van de toekomst. Een voorlopergestalte, als Perk en Lodeizen.

Van zo'n gestalte is de fascinatie duurzaam. Zo iemand krijgt een symboolfunctie. Nelson Mandela las bij zijn inauguratie haar gedicht Die kind wat doodgeskiet is deur soldate by Nyanga voor, een toekomstdroom uit 1960. Een jongere generatie blijft zich in haar herkennen –

Daardie nag het jy jou jonglyf

vir die laaste keer weggegee,

argeloos, aan die grootste minnaar

van almal: aan die krulkopsee.

En die windwit branderskuim

het jou dye skoongewas

van die bloed van die vermoorde kind

– luidt het bij Johann de Lange (geb. 1959), in een gedicht dat eveneens Ontvlugting heet. Dichters zijn niet alleen handig voor de mythevorming, ze zijn er ook om de mythen te consolideren.

Is Ingrid Jonker daarbij een groot dichteres? Niet altijd. Toch heeft ze een paar bijzondere gedichten geschreven. My pop val stukkend is er een van. In vrijzwevende regels wordt een straat geschilderd waarin vanaf een hoog balkon een pop aan stukken valt. `De schaduw waarschuwt de straat', zo begint het – er is meteen al onheil in aantocht. Alles blijkt even `korrel-kaal' in dit gedicht: de schaarse jakarandabomen, het lied van de penny-whistle, het afschieten `als een mus'. In deze geminimaliseerde omgeving werken de schaduw, het dreunen en het bronzen klokgelui als doodsherauten.

Gaat het om een pop? Gaat het om een mens? Het blijft in de lucht hangen. Is de pop van de vensterbank afgeschoten –

of was dit die wind uit die verte

of was dit my eie hand

– de dichteres laat het in het midden. Aan de ene kant is er de suggestie van een kind dat uit de schoot wordt geworpen, aan de andere kant (waar anders?) denk je aan de logische ongerijmdheid van een surrealistisch schilderij.

Een pop is een dood ding. En iets doods dat de dood tegemoet valt kan niet zo dramatisch zijn als hier. Zo dood is deze pop dus ook weer niet. Waar staat de pop van Ingrid Jonker voor?

Een sleutel kan misschien gevonden worden in Die pop, een van de weinige korte verhalen die zij schreef. Ze heeft het daar over een pop uit haar jeugd, die voor haar zowel haar dode moeder vertegenwoordigde als haar baby'tje. Het was een pop met een vergeten naam en een naam die alle namen was. `Ek weet nie hoe dit gebeur het dat die pop doodgegaan het nie. Ek dink dit het gebeur toe die leegheid in my hart gekom het, geleidelik.' Zij begint de doodse pop te haten. Te slaan en te schoppen. Ze graaft driftig een gat in de tuin en begraaft het kreng.

Op een dag is de dooier-dan-dooie pop er weer.

Het is een verhaal op de rand van warmte en verkilling, op de rand van vrede en geweld. Er is voor het kind-af geen pop meer om aan te raken – om de leegheid te verminderen. Er is alleen nog het wachten tot je ook zelf aan de beurt bent.