Interne partijdemocratie is passé

Politieke partijen zijn steeds minder democratisch. Dat stelt de Amsterdamse politicoloog A.Krouwel in zijn proefschrift. Dat betekent overigens niet dat de kiezers niet geëngageerd zouden zijn.

Politieke partijen horen bij parlementen en parlementen bij democratieën. Maar hoe democratisch zijn partijen zelf? Namens wie spreken ze? Hoe selecteren ze hun leiders en afgevaardigden? Hoe stellen ze hun beginselen en programma's op?

De Amsterdamse politicoloog André Krouwel (34) trekt heldere conclusies in een proefschrift dat hij morgen verdedigt aan de Vrije Universiteit. De ontwikkeling van 83 partijen in twaalf West-Europese landen heeft hij onderzocht over de periode 1945-1990.

Leden hebben in partijen steeds minder te vertellen gekregen, zo stelt Krouwel vast. Partijen weten, gemiddeld genomen, steeds minder leden aan zich te binden. Partijen wortelen steeds minder in sociale en/of religieuze groepen en organisaties in de samenleving. Partijbijeenkomsten zijn verworden tot mediaspektakels, als platform voor talkshow en peptalk, niet voor debat en opinievorming. Politieke leiders en parlementsfracties domineren het partijleven. Het werk van vrijwilligers in plaatselijke afdelingen wordt meer en meer overgenomen door professionals die politiek bedrijven met marketingconcepten en mediastrategieën. Dat is het algemene beeld in Europa. En voor Nederland geldt: vele van de gesignaleerde trends doen zich hier nog sterker voor dan in de landen om ons heen.

In het proefschrift van Krouwel staat de theorie centraal die de Duits-Amerikaanse politicoloog Otto Kirchheimer in de jaren vijftig en zestig heeft geformuleerd over de ontwikkeling van politieke massapartijen tot catch all-partijen. Deze laatste partijen kenmerken zich onder meer door verflauwde ideologie, versterkt leiderschap, minder invloed van leden, een electoraal appèl op bredere groepen dan alleen de traditionele achterban en toegenomen macht voor belangenorganisaties.

Zie hier de Nederlandse Partij van de Arbeid in de jaren negentig. ,,De PvdA heeft zich bij uitstek ontwikkeld als een catch all-partij'', zegt Krouwel. De theoretische lijnen uit Krouwels proefschrift zijn moeiteloos door te trekken naar de actuele praktijk. PvdA-voorlieden spreken in verkiezingstijd niet meer over een gewenste spreiding van inkomen, kennis en macht. De moderne literatuur over politiek en communicatie heeft hen ertoe gebracht te kiezen voor valence issues. Het zijn, vrij vertaald, `bindende onderwerpen' die zodanig worden uitgedragen (in jargon: geframed) dat ze aansprekend en acceptabel zijn voor de brede middenklasse in de samenleving. De PvdA is voor werk, onderwijs, zorg en veiligheid. Wie niet?

Catch all-gedrag heeft niet alleen de kop opgestoken bij de PvdA. Ook in andere partijen ziet Krouwel legio voorbeelden, zoals in een verschraling van de interne partijdemocratie. Krouwel: ,,De manier waarop het CDA een nieuwe partijvoorzitter heeft aangesteld, kan toch nauwelijks democratisch worden genoemd. Rob Lubbers, de broer van de ex-premier, was laatst woedend omdat hij niet op een verkiesbare plaats voor de Eerste Kamer was gezet. Dat zegt zo'n man dan zonder gêne in een interview. Alleen bij D66 kunnen leden direct invloed uitoefenen op de totstandkoming van kandidatenlijsten. In de meeste andere grote partijen worden die lijsten voorgekookt in selectiecommissies, waarbij de invloed van partijleden marginaal is.''

De mening van partijleden doet er steeds minder toe. En: er zijn steeds minder partijleden – in Nederland nog beduidend minder dan in de meeste van de andere onderzochte landen. Kort na de Tweede Wereldoorlog was omstreeks 13 procent van de Europeanen lid van een politieke partij. Het percentage in Nederland, 14 procent, spoorde met het Europese gemiddelde. Inmiddels ligt het Europese gemiddelde iets onder de 10 procent, terwijl in Nederland nog slechts 3 procent van de kiesgerechtigden lid van een partij is. Waarmee niet is aangetoond dat Nederland een apolitiek land zou zijn. Krouwel: ,,Uit diverse onderzoeken blijkt dat Nederlanders zeer geëngageerd zijn en op grote schaal participeren in maatschappelijke organisaties en bewegingen. Maar politieke partijen lijken te hebben afgedaan. Burgers gaan met een bocht om de politiek heen. Men weet zelf de weg wel te vinden, men doet rechtstreeks zaken met ambtenaren. Politici zijn te vaag en te traag – dat is het heersende beeld in de samenleving.''

Gebrek aan belangstelling voor politieke partijen heeft volgens Krouwel ook te maken met gebrek aan polarisatie in de Nederlandse politiek. ,,Nergens in Europa zijn de tegenstellingen tussen grote partijen zo gering als in Nederland'', zegt Krouwel. ,,VVD en PvdA zijn in de jaren negentig beide opgeschoven naar het politieke centrum. Als een soort koekoeksjongen hebben ze het CDA uit het nest geduwd. Tot een wezenlijk andere politiek heeft het niet geleid. Kiezers zien inmiddels nauwelijks verschillen tussen de dominante partijen. Dus stemmen kiezers de ene keer op die partij en dan weer op die. Of men stemt niet, omdat men vindt dat er niets te kiezen valt.''

De algemene lijn van catch all zou volgens Krouwel in Nederland kunnen uitmonden in `Amerikaanse toestanden'. ,,Als partijen hun directe binding met kiezers nog verder verliezen, als hun interne democratie nog verder afbrokkelt, als ze nog verder professionaliseren, dan worden het uiteindelijk een soort electorale machines. Datzelfde zie je bij de Democratische en bij de Republikeinse Partij in de Verenigde Staten. In verkiezingstijd wordt er dan een heel circus opgebouwd rondom personen en inhoudelijk stelt het niets meer voor.''

De samenvatting van het proefschrift is vanaf morgenmiddag te lezen op Internet: www.surf.to/krouwel.