Het tweede Eurofront

De lidstaten van de Europese Unie zijn op dit moment verwikkeld in een verbitterde loopgravenoorlog die uiteindelijk moet leiden tot een wapenstilstand over de begroting van deze organisatie voor de periode 2000-2006. Alle onderhandelaars willen vasthouden aan een plafond voor het totaal van de uitgaven. Maar een reeks voormalige oostbloklanden staat te dringen om lid van de Unie te mogen worden. De komst van deze armoedzaaiers zal gepaard gaan met hoge extra uitgaven. De onderhandelaars proberen ruimte te vinden door op bestaande posten te bezuinigen.

Vooral het ondoelmatige landbouwbeleid, dat ongeveer 45 procent van de Europese begroting opslokt en consumenten en belastingbetalers handen vol geld kost, staat bij de lopende begrotingsbesprekingen ter discussie. Daarnaast wordt gemikt op herverkaveling van de structuurfondsen, dat zijn door Brussel beheerde geldpotten waaruit vooral de zuidelijke lidstaten kunnen putten voor de financiering van grote infrastructurele werken. Vooralsnog is overeenstemming ver weg.

De strijd die ondertussen woedt aan een tweede Eurofront trekt veel minder de aandacht, terwijl daarbij op wat langere termijn veel grotere geldstromen in het geding zijn. Lidstaten stellen pogingen in het werk om te komen tot een zekere afstemming van hun nationale belastingstelsels. Landen ontdekken dat het steeds moeilijker wordt om op eigen houtje belastingbeleid te voeren. Ondernemingen en particulieren vergelijken de nationale tarieven en hevelen in toenemende mate kapitaal, spaargeld en economische activiteiten over naar lidstaten waar ze in verhouding laag of niet belast zijn.

Bedrijven zullen vooral letten op het tarief van de vennootschapsbelasting, die jaarlijks over de winst verschuldigd is. De verschillen zijn groot. in Duitsland is over niet aan de aandeelhouders uitgekeerde winst 47,5 procent vennootschapsbelasting verschuldigd, in Frankrijk 41,7 procent en in ons land 35 procent, terwijl het Verenigd Koninkrijk deze week heeft aangekondigd het tarief van de vennootschapsbelasting te verlagen tot 30 procent. Ierland – dat van de eurocraten in Brussel een aantal bestaande, concurrentievervalsende fiscale faciliteiten moet opruimen – gaat het tarief van de vennootschapsbelasting de komende jaren verlagen tot 12,5 procent.

De grote lidstaten zien deze 'race to the bottom' met lede ogen aan. Tenzij zij op hun beurt de tarieven verlagen, dreigen steeds meer ondernemingen te verkassen naar de belastingparadijzen binnen de Europese Unie.

Bij de particuliere besparingen is het van hetzelfde laken een pak. Over genoten rente is in Frankrijk tot 61 procent inkomstenbelasting verschuldigd, in Nederland 60 procent, in Duitsland 56 procent, in het Verenigd Koninkrijk 40 procent, in België slechts 15 procent. Zoals altijd, valt de grootste belastingbesparing overigens te behalen door keihard te frauderen. Wie zijn spaargeld overbrengt naar een bank in een land met bankgeheim dat bovendien geen `bronbelasting' inhoudt op uitgekeerde rente maakt zijn rendement volledig belastingvrij.

Ook werknemers worden steeds gevoeliger voor verschillen in belastingdruk. De Franse regering stelde onlangs bekommerd vast dat al honderdduizend jonge Galliërs in Londen en omgeving aan de slag zijn, aangelokt door de gespannen arbeidsmarkt en hoge nettolonen (omdat de Engelse belastingen in vergelijking met die in Frankrijk laag zijn). Hoewel als gevolg van taal- en cultuurverschillen de grote massa van de werknemers nog altijd weinig mobiel is, demonstreren jonge Europeanen die uitzwermen in de gemeenschappelijke economische ruimte dat landen bij de heffingen op arbeid langzamerhand eveneens op hun tellen moeten gaan passen.

Vooral lidstaten van de Europese Unie met hoge tarieven hebben veel te verliezen. Het is daarom niet verwonderlijk dat van de grote lidstaten met name Frankrijk en Duitsland aandringen op meer coördinatie bij de belastingheffing op ondernemingswinsten en spaargeld. Het gaat bij de beoogde fiscale coördinatie niet alleen om de invoering van minimumtarieven, zoals Europa die al jaren kent bij de omzetbelasting (BTW) en de accijnzen op alcohol, tabak en olieproducten. De Fransen en Duitsers ergeren zich ook mateloos aan reeksen bijzondere fiscale faciliteiten waarmee andere lidstaten proberen investeerders aan te lokken. Daarbij staat ons land nadrukkelijk in de beklaagdenbank.

Staatssecretaris Vermeend speelt het spel echter behendig. Eerst heeft hij de afgelopen jaren tal van bijzondere fiscale faciliteiten voor het bedrijfsleven totstandgebracht. Zodoende heeft hij een zak wisselgeld achter de hand wanneer de onderhandelingen serieus beginnen. Nederland is best bereid sommige regelingen weer te schrappen, maar voor wat hoort wat: ook andere landen moeten dan hun fiscale stelsel aanpassen.

De aanval is nog altijd de beste verdediging. Daarom heeft de staatssecretaris gerenommeerde internationaal werkende belastingadvieskantoren een blauwdruk te laten maken van de faciliteiten voor het bedrijfsleven in andere landen. Bijna alle lidstaten blijken boter op hun hoofd te hebben. Zo raakt de beklaagdenbank overvol. Verder heeft Vermeend zich gevoegd in het koor van Eurocritici die vinden dat de Ieren het algemene tarief van hun winstbelasting met 12,5 procent veel te laag hebben vastgesteld. Dat is niet verwondelijk. Zou ons land zich ooit gedwongen zien het tarief even veel te verlagen, dan valt een gat van vijftien miljard gulden in de begroting.

Al met al heeft Nederland ogenschijnlijk een comfortabele uitgangspositie voor de komende onderhandelingen opgebouwd. Dat zal de besprekingen zeker niet gemakkelijker maken.