Een verkrampte expressionist

Het hoogtepunt op het overzicht van dertig jaar werk van Georg Baselitz (1939) in het Stedelijk Museum is zijn laatste schilderij. Het is getiteld Frau am Abgrund en het heeft een megaformaat van ruim 400 bij 300 centimeter. Het schilderij laat twee vrouwen zien, in euforisch lichte tinten oranje, roze, geel en zachtpaars. Baselitz schildert sinds 1969 zijn motieven ondersteboven. De ene vrouw hangt verticaal met het hoofd naar beneden, de andere valt opzij. Ik neem aan dat het één en dezelfde vrouw is, bezig om te vallen. De achtergrond is een vlekkerig transparant lichtgrijs, met verfsporen erin en afdrukken van schoenzolen, en ronde cirkels op de plekken waar de schilder zijn verfpot neerzette. Het werk roept een sensatie op van een duizelingwekkend vallen in een grenzeloze ruimte. Er spreekt een grote fysieke energie uit en Baselitz heeft hier een fantastische grip op het formaat.

Baselitz moet zelf erg blij zijn geweest met dit doek, want hij signeerde het met heel grote, klassieke letters dwars over het grijswitte fond: C.D.F. G.B. 31.XII.98. `C.D.F.' staat voor de Romantische schilder Caspar David Friedrich (1774-1840). Ik kan alleen maar gissen waarom; een hommage of misschien vanwege het weidse ruimtegevoel dat kenmerkend is voor het werk van Friedrich. De donkerpaarse verf druipt neer van de initialen. De signatuur is zo nadrukkelijk dat hij het prachtige onbevangene van het werk enigszins verstoort.

Frau am Abgrund vormt een groot contrast met de rest van de recente schilderijen die in de grote zaal van het Stedelijk worden getoond. Sinds vier jaar gebruikt Baselitz een sterk verdunde, transparante olieverf waarmee hij als het ware aquarelleert. Over de aldus ontstane kleurpartijen brengt hij een figuratie aan door met een dun penseel in donkere verf contouren te tekenen. Nergens gaat die getekende figuratie een verbintenis aan met de kleur, alsof het motief een after thought is, erover heen gekrabbeld, om het werk toch maar inhoud te geven. Het zijn grote, pathetische, nietszeggende, hooguit decoratieve lappen. Met name Meine mutter Madame Cézanne is een rampzalig mislukt schilderij, zonder enige spanning, zonder enig moment van expressieve verfbehandeling of boeiende lijnvoering.

Het overzicht toont Baseliz als een verkrampte expressionist. De bevrijdende vanzelfsprekendheid van Frau am Abgrund is de schilder maar zelden gegeven. Zijn oeuvre is van het begin tot het eind ongelijkmatig. Af en toe duikt er een schilderij op dat `werkt', dat een sterke innerlijke samenhang vertoont en dynamisch en expressief is. Bijvoorbeeld de Kaffeekanne uit 1978, de Clown en de serie Sinasappeleters uit 1981: stevige, stralende doeken. Of de portretten van Bruno en Vera (1992), in diep zwart op onbeschilderd wit linnen, de portretten in het zwart gekrast. Prachtig zijn ook de grafiekbladen in de hoekzaal, gedaan in zwartwit met wat vegen witte en blauwe verf er overheen. In deze bladen bereikt Baselitz een gelaagdheid, een complexiteit van voorstelling die in de meeste schilderijen ontbreekt.

Een absoluut dieptepunt zijn de gouden schilderijen uit 1994. Baselitz liet het linnen zorgvuldig bedekken met een laag bladgoud. Hierop bracht hij een roodbruin vierkant kader aan dat als raamwerk dient voor een omgekeerde vrouw. Alles in deze schilderijen is even gekunsteld en bedacht. Zo bedekt het raamwerk precies het gezicht van zo'n vrouw – een spelletje met de vraag naar de betekenis van het motief, maar een interessant beeldend spelletje is het niet. In het goud staan overal voetstappen, terwijl deze doeken niet zo groot zijn dat het noodzakelijk was er, al schilderend, overheen te lopen. De gouden werken doen aan allerlei schilders denken: aan Malevitsj (het iconische), aan Yves Klein (het goud als meditatieve ruimte), aan Willem de Kooning (een hurkende vrouw), zonder dat ze van zichzelf een krachtig beeld oproepen.

De brutaliteit, de bravoure, het aplomb in het werk van Baselitz, waar hij door zijn pleitbezorger Rudi Fuchs zo om geroemd wordt, ervaar ik niet als zodanig. Die bravoure overtuigt mij niet, ik zie alleen een theatrale pose, een gemaniëreerdheid en maar heel zelden een dwingende expressiviteit. En de heroïek van een rauwe expressionist te zijn in een tijd dat de hele kunstwereld in de ban is van koele Amerikaanse kunst, zoals in de jaren zestig toen Baselitz met schilderen begon, is allang verdwenen.

Problematisch blijft de omkering van het motief. Natuurlijk, we zijn er inmiddels aan gewend geraakt en ook de bezoekers van het Stedelijk zijn zo sophisticated dat niemand zich meer laat betrappen terwijl hij met zijn hoofd ondersteboven een schilderij staat te bekijken. Maar de vraag naar de zin van dit omkeren blijft bestaan.

Baselitz schildert zijn motieven ondersteboven omdat hij, zegt hij in een recent interview met Johannes Gachnang, wil laten zien dat de schilderkunst niet afhankelijk is van de voorstelling. De werkelijkheid is het schilderij en is niet op het schilderij. De reden dat hij dan toch nog motieven gebruikt, is omdat de kwestie `in wezen niet van belang is' en omdat hij: `niet inziet waarom je vanwege de identificatie af moet zien van privé-medelingen in de vorm van motieven'. Maar dit is nog steeds geen reden om de motieven om te draaien. Immers, als je geen balans weet te vinden tussen de verf op het doek en de voorstelling, dan ben je gewoon niet zo'n goede schilder. Wie zou het in zijn hoofd halen om in verband met Manet, Courbet, Munch of Guston – schilders die Fuchs noemt in verband met Baselitz – te spreken over een onbalans tussen verf en voorstelling?

Het werk van Baselitz is voor een groot deel nep. De voetstappen op de gouden schilderijen en de omkering van de motieven zijn alleen gimmicks om hevigheid, actie, gedrevenheid te suggereren. Zijn schilderkunst is een theater van de gedrevenheid en de emotionele expressie, maar geen overtuigend theater: hoe langer we er naar kijken, hoe leger het is.

Georg Baselitz, overzicht van ca. veertig schilderijen in het Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat 13, Amsterdam. T/m 11/4. Geopend: ma t/m zo 11-17u.