Betrokken schrifturen

In haar woonplaats Rotterdam – meer in het bijzonder: Kralingen – is M.A. de Jong-de Monchy overleden. Ze genoot bekendheid door haar vele ingezonden brieven in NRC Handelsblad. In de jaren dertig was ze als redacteur werkzaam bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Zij is negentig jaar geworden.

Mia de Jong-de Monchy was er trots op de eerste (en jongste) vrouwelijke journalist van de NRC te zijn, in haar tijd een mannenbolwerk dat geleid werd door hoofdredacteur mr. G.G. van der Hoeven. Ze was bijna vijf jaar in vaste dienst van de krant en werkte in toerbeurt voor de twee edities die de redactie toen dagelijks maakte.

In 1932 trad Mia de Monchy na een studie geschiedenis min of meer toevallig toe tot de NRC-redactie. Ze trof een gemêleerd gezelschap aan van heren met verschillende studierichtingen, nogal eens gesjeesd, een enkele schrijver en een verdwaalde dominee die het nieuws over de kerk, het onderwijs, boksen en de Italiaanse opera deed. ,,Er heerste een bohémienachtige sfeer, anders dan mijn solide opvoeding'', schreef ze in een herinneringsbrief begin deze maand. Over haar jaren bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant kon ze smakelijk vertellen. Ze was een bewonderaar van de schrijver Victor van Vriesland, destijds redacteur letteren van de NRC. Voor haar hoofdredacteur, de roemrijke Van der Hoeven, koesterde zij achting wegens diens immer soevereine optreden in lastige kwesties. Latere hoofdredacteuren van de NRC en NRC Handelsblad werden door haar steevast beoordeeld op hun onafhankelijkheid, de eigenschap die haar van Van der Hoeven zo goed was bijgebleven. Na haar vertrek in 1937 bleef ze als los-vast medewerkster aan de krant verbonden. In de jaren na de oorlog verzorgde ze een periodiek van de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen. M.A. de Jong-de Monchy is de NRC en later NRC Handelsblad altijd goed blijven volgen. Ze stuurde in haar lange leven talloze ingezonden brieven naar de Opiniepagina. Haar laatste brief werd geplaatst op 26 januari van dit jaar en ging over vriendjespolitiek onder Euro-commissarissen. Ze correspondeerde met redacteuren en hoofdredacties, gaf ongevraagd tips en suggesties – ze hoorde soms nuttige dingen in hof- en havenkringen – en oefende ongezouten kritiek uit op allerlei vormen van slordigheid in `haar' krant. Lange verhalen zeiden haar niets als er geen feiten in stonden. Over grote (portret)foto's schreef ze meermaals: gooi zo'n rotkop eruit en je hebt weer vijf kolommen vrij voor tekst.

Ze beklaagde zich in haar brieven soms over de omvang van de krant (,,Jullie zijn dik, dik, dik''). En ook snapte ze niet ,,wat al die redacteuren tegenwoordig doen''. In een recente brief schreef ze: ,,Ik zie telkens weer nieuwe namen staan. Wij, het klinkt opschepperig, maakten met een handjevol mensen twee edities per dag, wel dunner natuurlijk maar dat was alleen maar een voordeel. Nu zit er, in het bijblad vooral, en soms elders, heel wat overbodigs – althans voor een dagblad en ik ben niet de enige die dat vindt.''

Op karakteristiek dichtbetikte en met de hand gecorrigeerde velletjes papier, waarop de letters van haar oude schrijfmachine schuin wegdansten, liet ze haar betrokkenheid bij de actualiteit blijken. Ze had scherpe observaties en sloot haar brieven vaak af met de woorden: ,,Enfin, dat was het voorlopig weer. Ik hoop dat jullie mijn schrifturen niet schaterlachend in de prullenmand gooien.''

Hetgeen soms gebeurde, maar meestal niet. Daarvoor waren ze te waardevol. Door haar `schrifturen' hield Mia de Jong-de Monchy de redactie en de lezer van NRC Handelsblad een spiegel voor. Ze liet zien waar het in de krant in wezen om gaat – om het nieuws en de achtergrond daarbij, om puntigheid en accuratesse. Haar betere brieven blonken daarin uit. Ze toonde ermee wie ze was: collega, critica en onafhankelijk correspondent te Kralingen.