Armeense genocide

De `Armeense genocide' heeft bijna een nieuw `slachtoffer' geëist. Ik zet de woorden `Armeense genocide' tussen aanhalingstekens, omdat ik niet op de gebeurtenissen zelf doel, maar op de discussie over de vraag of het woord `genocide' van toepassing is op wat in 1915 in Turkije heeft plaatsgevonden. De feiten zelf, dat wil zeggen de liquidatie van de Armeense weerbare mannen, gevolgd door de deportatie en veelal ook, in een of andere vorm, de liquidatie van een groot aantal andere Armeniërs, staan niet ter discussie. Het gaat om de vraag of deze massamoord een vorm van genocide was.

Ik plaats ook het woord `slachtoffer' tussen aanhalingstekens, want het gaat hier gelukkig niet om een slachtoffer in de letterlijke betekenis van het woord. Het `slachtoffer' in kwestie is Gilles Veinstein, die onlangs aan het Collège de France is benoemd tot hoogleraar in de Turkse en Ottomaanse geschiedenis. Het Collège de France is Frankrijks meest prestigieuze onderwijsinstelling en een benoeming aan het Collège is dan ook het hoogtepunt van een academische carrière. Beroemdheden als Braudel en Duby, Raymond Aron en Lévi-Strauss hebben er gedoceerd. Een benoeming aan het Collège de France is dus een zaak van nationaal gewicht en geschiedt dan ook bij besluit van de president van de republiek.

De benoeming van Gilles Veinstein is niet zonder slag of stoot verlopen. Hij was door het Collège de France voorgedragen voor benoeming, maar tegen deze voordracht rees protest, vooral binnen de Armeense gemeenschap in Frankrijk. Het verwijt dat Veinstein werd gemaakt, was dat hij in een korte beschouwing de these had verdedigd dat er twijfel kan bestaan over de vraag of de moord op de Armeniërs in 1915 volledig door de Turkse regering was geprogrammeerd. Hij ontkende de massamoord dus niet, maar vroeg zich af of de term `genocide' hierop van toepassing was.

Veinstein was niet de eerste geleerde die hierdoor in Frankrijk in moeilijkheden raakte. In juni 1995 werd de bekende Amerikaanse oriëntalist Bernard Lewis in Parijs veroordeeld tot een symbolische boete van één franc. Bernard Lewis had het in een artikel in Le Monde gehad over de massamoord op de Armeniërs. Hij had noch de wreedheden noch het aantal slachtoffers ontkend. Hij had alleen geschreven dat `deportatie' een betere term was dan `genocide', omdat dat laatste woord, naar hij schreef, ,,slechts de Armeense versie van de geschiedenis is; de Turkse visie ziet er anders uit''. Lewis werd hiervoor aangeklaagd door de Franse Liga tegen Racisme en Antisemitisme en de rechter gaf deze gelijk, althans sprak het oordeel uit dat Lewis had gezondigd ,,tegen de algemene regels van objectiviteit en zorgvuldigheid''.

In dit licht is het enigszins opmerkelijk dat ook de huidige Franse minister van Buitenlandse Zaken, Hubert Védrine, nog vorig jaar, zij het `op persoonlijke titel', de voorkeur gaf aan het woord `massacres' boven dat van genocide, terwijl ook premier Jospin in een officieel communiqué van `massacres' sprak. Nog opmerkelijker is het feit dat het Franse parlement kort daarna, op 29 mei 1998, een wetsontwerp heeft aangenomen waarin de Armeense genocide wordt erkend. De tekst van dit wetsontwerp bestaat uit slechts één artikel en luidt: ,,Frankrijk erkent publiekelijk de Armeense genocide van 1915''. Het is een vreemde tekst, want deze uitspraak lijkt meer op een proclamatie of een resolutie dan op een wettekst en bovendien was het ontkennen van die genocide kennelijk ook al strafbaar vóórdat dit wetsontwerp was aangenomen.

Processen van dit type vinden in Frankrijk wel meer plaats en zij hebben dan vaak ingrijpender gevolgen dan het vonnis over Bernard Lewis, dat immers slechts een symbolische boete inhield. Begin vorig jaar was er bijvoorbeeld een proces tegen de bekende filosoof Roger Garaudy. Deze werd beschuldigd van `betwisting van misdaden tegen de mensheid' in zijn boek Les mythes fondateurs de la politique israélienne. Twee passages in dit boek zouden die strekking hebben. Zij kwamen hem te staan op respectievelijk vijftig- en dertigduizend franc boete, terwijl een derde passage `diffamation raciale' zou bevatten en twintigduizend franc kostte. Met nog wat kleingoed erbij leidde deze eigenaardige optelling tot een totale boete van 120.000 franc.

Is het verstandig historische en conceptuele discussies op deze wijze via processen en boetes te doen beslissen? Ik geloof het niet. Het bezwaar hiertegen is immers dat dit niemand tot een ander inzicht zal brengen, maar de betrokkenen wel in een slachtofferrol brengt, terwijl de gevolgen van zulke verbodsbepalingen niet zijn te overzien. Laten wij nog eens kijken naar het voorbeeld van de Armeense genocide. De Leidse turkoloog E.J. Zürcher heeft hier vorig jaar in een interview met deze krant (28 februari 1998) over gezegd: ,,Het is ook niet vreselijk interessant of er 250.000 of 750.000 Armeniërs zijn omgebracht. Was dat de bedoeling, daar gaat het om.'' Ik geloof niet dat dit de meest gelukkige formulering is van de zaak waar het om gaat. Ik geloof ook dat als iemand in een interview zou zeggen: ,,Het is ook niet vreselijk interessant of er twee of zes miljoen joden zijn omgebracht'', dit waarschijnlijk heftige reacties zou oproepen. Niet iedereen zal het er immers mee eens zijn dat de aantallen er zo weinig toe doen. Dit alles moge zo zijn, maar Zürcher heeft volkomen gelijk als hij zegt dat het bij de discussie over de vraag of het genocide was, gaat om de bedoeling. `Genocide' is een historisch begrip dat staat voor bepaalde, maar niet voor alle vormen van moord. Over de vraag wat er wel en wat er niet onder valt, moet discussie mogelijk zijn. Het lijkt mij in ieder geval hoogst onwenselijk als in ons land iemand die, zoals Zürcher doet, van `uitmoording' en niet van `genocide' spreekt, strafbaar zou zijn. Zouden dan ook de Nederlandse Stalinisten die de Goelag ontkenden, vervolgd hebben moeten worden? Of de Amsterdamse hoogleraar W.F. Wertheim, die ontkende dat Mao Zedong een massamoordenaar was? De uitmoording van de Armeniërs vond plaats in 1915. De uitmoording van de Herrero in Namibië door de Duitse koloniale overheersers zo'n tien jaar eerder. Moet er nu ook een wet komen die bepaalt dat dit genocide was (wat het was)? Het lijkt mij geen goed idee.

Zulke protesten en processen zijn goed bedoeld, maar zij leiden tot verkeerde resultaten. Historische en conceptuele kwesties lost men niet op door proclamaties en wetteksten. Historische discussies dienen niet plaats te vinden onder de dreiging van processen en boetes. Over zulke zaken oordeelt niet de rechter, maar de geschiedenis.