EU moet defensiemacht binnen NAVO zijn

De Europese Unie moet zich binnen de NAVO sterker ontwikkelen als defensiemacht. Meer verantwoordelijkheid van Europa op het gebied van veiligheid is vereist, aldus J.J. van Aartsen.

Veiligheid wordt niet automatisch geassocieerd met Europa of met de Europese Unie, maar eerder met de Verenigde Staten en de NAVO. Het is echter de hoogste tijd dat de combinatie Europa en Veiligheid als `gewoon' beschouwd wordt.

Internationalisering betekent dat geen enkel land meer op eigen houtje kan opereren. Ook Nederland niet. Onze inzet op het gebied van veiligheid, internationale rechtsorde en handelsbelangen moet in een sterk, stabiel en democratisch Europa worden verwezenlijkt. Daar is een zelfverzekerde Europese Unie voor nodig, waarin nationale belangen worden gewaarborgd. Een Europa – dat economisch zo sterk is – moet ook op het gebied van buitenlandse politiek massa kunnen maken. Dat betekent een echt Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheids Beleid (GBVB). En dat impliceert een Europese identiteit op het gebied van veiligheid en defensie. Het ondersteunen van dit doel is een Nederlands belang.

Ik geloof dat de laatste tien jaar te velen zich te lang hebben gekoesterd in de schijnbaar comfortabele positie dat Washington in internationale crises de kastanjes wel uit het vuur haalde. Misschien komen wij pas nu, anno 1999, langzaam maar zeker bij uit de verdoving van de dreun die de gebeurtenissen van circa tien jaar geleden hebben uitgedeeld.

Allereerst hebben we in Bosnië gezien dat het Europese buitenlands- en veiligheidsbeleid onvoldoende was toegerust. Er is gebleken hoe afhankelijk wij van de Amerikanen zijn. Meer dan eens had de Amerikaanse regering de grootste moeite het Congres te overtuigen van de noodzaak van optreden in Europese crises. Maar de veiligheid van onze eigen achtertuin in Europa mag toch niet afhankelijk zijn van het oordeel op Capitol Hill. Bovendien zijn de oude dreigingen vervangen door nieuwe grensoverschrijdende problemen.

Ten tweede biedt het Verdrag van Amsterdam ons een aantal nieuwe instrumenten om aan het Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid een betere invulling te geven. Behalve de aanstelling van een mijnheer of mevrouw GBVB maakt het Verdrag van Amsterdam het ook mogelijk om gemeenschappelijke strategieën te formuleren. Hebben we die eenmaal, dan kunnen we met gekwalificeerde meerderheid gemeenschappelijke acties ondernemen (overigens géén militaire). En één land zal moeilijker een gemeenschappelijk Europees optreden kunnen tegenhouden. Er bestaat nu de mogelijkheid van constructieve onthouding.

Ten derde moet ook de wil bestaan deze nieuwe instrumenten te gebruiken. Het Verenigd Koninkrijk is aanzienlijk prominenter dan tevoren op het Europese toneel verschenen. Parijs en Londen groeien onmiskenbaar meer naar elkaar toe. Deels zal dit te maken hebben met een nieuw en terecht zelfbewuster Duitsland. De oude automatismen die stelden dat Duitsland betaalt en Frankrijk bepaalt, gelden niet meer.

De traditionele Frans-Anglo/Amerikaanse tegenstelling op veiligheidsgebied wordt ook minder scherp. In de afgelopen periode heeft de Franse positie zich ten aanzien van de NAVO in een goede richting ontwikkeld. De NAVO – en niet de WEU – is dan ook hèt forum waarin Europa moet investeren.

De zogenaamde extraction force in Macedonië, die in noodgeval de OVSE-verificatiemissie in Kosovo moet evacueren, opereert uitdrukkelijk in het kader van de NAVO, met uitsluitend Europese strijdkrachten onder leiding van een Franse commandant, zonder dat de WEU hierbij is betrokken. Een veelbetekenend voorbeeld uit de praktijk van vandaag.

Onlangs heeft Tony Blair voorgesteld om tot verdergaande Europese defensiesamenwerking te komen. Hij heeft ondermeer geopperd de WEU op te splitsen in een politiek en een militair deel en deze in respectievelijk de EU en de NAVO te laten opgaan. De facto betekent dit het einde van de WEU. De Fransen hebben positief gereageerd op de Britse voorstellen. Samen hebben zij in St. Malo een eerste grove schets gemaakt van een Europese Veiligheids en Defensie Identiteit. Ook in Duitsland zijn veranderingen gaande. Een nieuwe politieke generatie is daar aan de macht gekomen, die bereid is fysiek aan internationale vredesoperaties mee te doen.

De Europese strategische context is veranderd. In de praktijk blijkt een toenemend verantwoordelijkheidsbesef tot Europa door te dringen. De discussie over de tegenstelling tussen Atlantici en Europeanen moet nu maar eens worden opgeheven. Kort samengevat, wij moeten zelfbewust een nieuwe Europese scherpte en diepte in de overigens essentieel blijvende relatie met de VS brengen. Dat is pro-europees, maar niet anti-Amerikaans. De angst dat onze transatlantische relatie verzwakt zodra Europa bereid is meer eigen verantwoordelijkheid te dragen, is ongegrond. Bij een voortgaande mondialisering hebben de Amerikanen Europa steeds aan hun zijde nodig, en wij hen.

Door Amerikaanse bril bezien is Europa één grote menukaart. De veelheid van organisaties en verbanden in Europa veroorzaakt in de VS een gevoel van we zien wel met wie we welke zaken doen.

Wij zijn het in Europa aan onszelf verplicht hier grotere duidelijkheid te verschaffen. Zeker ook uit een oogpunt van geloofwaardigheid. Dat geldt ook voor Nederland. De komst van een Europees gezicht voor het GBVB is in dit opzicht belangrijk. Het zou heel goed een Nederlands gezicht kunnen zijn.

Wat meer specifiek onze veiligheid betreft: die blijft nauw verbonden met de VS en Canada in het Atlantische kader. In de NAVO dus. Waar het om gaat is dat binnen dat bredere Atlantisch verband een grotere Europese inbreng en verantwoordelijkheid tot stand wordt gebracht, zonder afbreuk te doen aan de bondgenootschappelijke samenhang.

De eis van betere veiligheid betekent dat onze eerste inzet op veiligheidsgebied dan ook mèt de Amerikanen zal zijn. Maar de kans is aanwezig en niet ondenkbaar dat de Amerikanen hun handen vol hebben aan problemen elders in de wereld. Het is ook mogelijk, zoals in het geval van Kosovo, dat de VS wel willen meedoen, maar op een bescheiden manier en het voortouw laten aan de Europeanen. In zo'n geval moet Europa zijn verantwoordelijkheid kunnen nemen en goed zijn voorbereid. `Stumbling into policy' kan geen goed uitgangspunt van beleid zijn.

Een sterkere Europese inbreng in het veiligheids- en defensiebeleid is ook nodig om steeds aanwezige tendensen in de VS van unilateralisme – géén isolationisme! – tegen te gaan.

Juist na het wegvallen van de bipolaire situatie moet Europese betrokkenheid Amerikaanse Alleingang voorkomen. Tè veel macht – een machtsmonopolie zo u wilt – kan risico's opleveren. Het is beter dat macht en verantwoordelijkheid voor macht worden gedeeld. Dat is ook de opvatting van de VS die immers zelf vragen om burden sharing, en dat niet alleen uit financiële overwegingen.

In 1996 hebben de bondgenoten in Berlijn de ontwikkeling van de Europese veiligheid uitdrukkelijk in een NAVO-kader geplaatst, maar door een Brits veto mocht de EU zich niet met veiligheidsbeleid bemoeien. Dat moest in de WEU. Het is de grote verdienste van Tony Blair dat deze Britse blokkade is opgeheven.

Nu zal eerst de inhoudelijke discussie verder moeten worden gevoerd. Maar de opheffing van de WEU ligt in het verschiet. Uiteindelijk zal een nieuw beleid ook moeten leiden tot nieuwe afspraken tussen de EU en de NAVO.

Het gaat erom binnen de EU een coherent beleid te formuleren dat gebruik maakt van politieke, economische en militaire aspecten. Daarom stel ik ook voor dat de Europese Unie op basis van het strategisch concept van de NAVO een gemeenschappelijk veiligheidsconcept ontwikkeld waarin deze drie aspecten worden samengebracht. De meerwaarde van Europese Veiligheids en Defensie Identiteit ligt er immers juist in dat het beleid van de EU al deze dimensies omvat.

Onmiskenbaar spelen Bonn, Londen en Parijs binnen de EU een speciale rol. Maar een gezamenlijke Brits-Frans-Duitse politiek maakt nog geen GBVB. Daarin zullen immers de belangen van alle lidstaten moeten worden verdisconteerd. Op dat punt valt nog veel te verbeteren. Ik noem u slechts het voorbeeld van de zogenoemde Contactgroep. Als die besluiten neemt zonder adequate betrokkenheid van de andere partners is dat ongewenst. Ik behoud mij in voorkomende gevallen dan ook het recht van nationale positiebepaling uitdrukkelijk voor. Nederland levert een bijzonder grote inspanning bij de wederopbouw van Bosnië-Herzegovina – financieel en militair – en het kan niet zo zijn dat besluiten over de inzet van onze middelen buiten ons om worden genomen.

In een geloofwaardige defensie-identiteit moet de EU te allen tijde gebruik kunnen maken van de militaire planningscapaciteit van de NAVO. Als de EU onder alle omstandigheden gebruik moet kunnen maken van adequate militaire middelen – en deze niet zelf buiten de NAVO om wil en kan opbouwen – dan zal een vergaande beginselbereidheid van de VS moeten worden verkregen om NAVO-middelen – dus ook Amerikaanse – ter beschikking te stellen voor een EVDI-operatie. Over de modaliteiten hiervan is overigens nog geen overeenstemming bereikt.

Het is niet moeilijk tal van politieke en militaire voetangels en -klemmen te bedenken. Maar: eerst de politiek, dan de procedure. Daarom nu aan de slag.

J.J. van Aartsen is minister van Buitenlandse Zaken. Dit is een ingekorte versie van de toespraak die hij gisteren hield voor het Nederlands Genootschap voor Internationale Zaken. De volledige tekst is te vinden op internet: www.minbuza.nl