Atlantisch Europa

MINISTER VAN AARTSEN van Buitenlandse Zaken (VVD) heeft de tegenstelling tussen de Atlantische en de Europese tradities in de vaderlandse buitenlandse politiek weten te overwinnen. Geheel naar de tijdgeest voorspelde hij in een rede voor het Nederlands Genootschap voor Internationale Zaken dat Washington straks niet langer voor Europa de kastanjes uit het vuur haalt. Ook al blijkt dat in de praktijk van Bosnië en Kosovo nog wel mee te vallen, het Amerikaanse Congres verzet zich meer en meer tegen militaire betrokkenheid in typisch Europese conflicten. Daarmee moeten de Europese landen rekening houden.

Het zijn niet alleen negatieve overwegingen die de bewindsman tot zijn conclusies bewegen. Grote betekenis hecht hij aan de Britse bekering tot het concept van een Europese Veiligheids- en Defensie Identiteit binnen de Europese Unie waarvoor in St. Malo samen met de Fransen ,,een eerste grove schets'' werd gemaakt. Een eerste tekening biedt de extractiemacht in Macedonië, bedoeld om zonodig de internationale waarnemers uit Kosovo weg te halen, opererend in het kader van de NAVO, met uitsluitend Europese strijdkrachten onder leiding van een Franse commandant, zonder dat de WEU (West-Europese Unie) daarbij is betrokken. Van Aartsen noemt dit ,,een veelbetekenend voorbeeld uit de praktijk van vandaag''.

Vooral de afwezigheid van de WEU lijkt de minister te inspireren. ,,Mijn conclusie is dan ook dat de NAVO – niet de WEU – hèt forum is waar Europa in moet investeren.'' Partijgenoot Van Eekelen, eens secretaris-generaal van deze organisatie, zal zo zijn bedenkingen hebben, maar ook hier lijkt Van Aartsen de tekenen des tijds te hebben verstaan. De NAVO is bezig te veranderen, het oude idee van een Europese zuil onder het Atlantische dak is inmiddels meer dan een belofte. Op de NAVO zetten betekent niet langer de Europese optie verwerpen. De functie van de WEU als loopplank voor de Britten naar Europa heeft sinds St. Malo aan betekenis verloren. Hier verwijdert de bewindsman zich overigens van de weerzin van partijgenoot Bolkestein tegen Europese integratie op het terrein van veiligheid en defensie.

MOGELIJK ZIJN HET kritische stemmen op de achtergrond die Van Aartsen er toe bewegen de noodrem binnen bereik te houden. Het ,,recht van nationale positiebepaling'' behoudt hij zich ,,uitdrukkelijk'' voor. Naast de besluitvorming bij meerderheid, die hij toejuicht, maakt het Verdrag van Amsterdam binnen de Europese Unie ,,constructieve onthouding'' mogelijk, brengt de bewindsman in herinnering. Het was de laatste optie die sommige van zijn partijgenoten in de Tweede Kamer kennelijk in gedachten hadden toen zij vorig jaar vraagtekens plaatsten bij deelname aan de waarnemersgroep voor Kosovo, ook al ging het toen om een initiatief van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa.

Overigens leek Van Aartsen in dit deel van zijn rede het spoor enigszins bijster. Hij noemde de Contactgroep als een instantie waar Nederland nog wel eens buiten de besluitvorming is gehouden, een referentie aan oud zeer bij zijn voorganger. Vervolgens sprak hij over Bosnië-Herzegovina waar het niet zo kan zijn ,,dat besluiten over de inzet van onze middelen buiten ons om worden genomen''. Maar de militaire besluiten daar vallen in het kader van de NAVO, de civiele in het kader van het uit het Dayton-akkoord voortvloeiende Peace Implementation Council (PIC). Van beide instellingen is Nederland volwaardig lid. De ministeriële zorgen zouden zich dan ook eerder naar Kosovo moeten uitstrekken waar de exclusieve Contactgroep in de crisisbeheersing wel formeel de voornaamste, want coördinerende en bemiddelende, taak heeft.

VAN AARTSEN maakte er geen geheim van dat ieder daadwerkelijk optreden in Europees verband afhankelijk zal blijven van NAVO-middelen (dus Amerikaanse middelen). En inderdaad, alleen op die manier kan de nieuwe Europese assertiviteit worden beleefd zonder de materiële offers te brengen die een werkelijk onafhankelijke Europese Defensie Identiteit zou vergen. Over de modaliteiten van blijvende Amerikaanse goedgunstigheid ,,is overigens nog geen overeenstemming bereikt''. Een relativerender slot aan zijn betoog had de minister niet kunnen bedenken.