Thorbecke, Kissinger, Krüger e.a.

Een greep uit mijn lectuur van afgelopen weekeinde, te beginnen met een passage uit een boekbespreking van Remieg Aerts (auteur van een in 1997 verschenen boek over de liberale cultuur in de 19de eeuw) in Trouw (6 maart):

,,Men moet van Thorbecke en de mannen van 1848 geen democraten maken, geen grondleggers van de parlementaire democratie. Wat zij voorstonden was een constitutionele politiek. Dat wil zeggen: een politiek die afgewend was van het gewoel van de samenleving en vormgegeven werd in het parlementaire debat, door beschaafde en verstandige, onafhankelijk optredende volksvertegenwoordigers.''

Thorbecke was dus geen democraat. Maar was hij eigenlijk wel liberaal? H. van Riel, voorman van de VVD tot plusminus 1980, probeert in zijn Geschiedenis van het Nederlandse liberalisme in de 19e eeuw (1982) voortdurend aan te tonen dat Thorbecke eigenlijk conservatief was, althans `wijsgerig conservatief'. Van Riel citeert Groen van Prinsterer, die in 1873, een jaar na Thorbeckes dood, schreef: ,,De liberalen hebben niet willen geloven dat Thorbecke antiliberaal was.'' Toegegeven: noch Van Riel noch Groen is een volstrekt belangeloze bron.

Uit dezelfde boekbespreking. Over het pleidooi jonge staatsburgers via onder meer onderwijs te doordringen van constitutionele waarden: ,,Dat klinkt sympathiek, maar is het ook verstandig? Je kunt je afvragen of mensen democratischer of humaner worden omdat het onderwijs het hun leert. [...] Iedereen weet dat je kostbare, bijzondere dingen niet te vaak ten toon moet stellen; ze verliezen daardoor hun glans en bijzonderheid.

Arie Elshout is naar een conferentie over de toekomst van de oorlog in St. Petersburg geweest. In de Volkskrant van 6 maart rapporteert hij daarover. Uit dit rapport: ,,Vooral politieke wetenschappers hebben een tragisch vak: wat zij voorspellen, komt vaak niet uit; wat er gebeurt, hebben zij even vaak niet voorzien.''

Laten we het dus maar bij de analyse houden. Bijvoorbeeld bij die van de Amerikaan Edward Luttwak, een van de deelnemers aan die conferentie. Elshout geeft die analyse als volgt weer: ,,De afschuw van de oorlog is zo groot dat men enerzijds de sterke morele imperatief voelt om conflicten elders een halt toe te roepen, maar anderzijds te veel angst heeft om voor dat doel een oorlog te voeren. Als er dan toch moet worden opgetreden, dan bij voorkeur door middel van een `oorlog zonder tranen' - snel, beslissend, en schoon. Het liefst vanuit de lucht, vanaf zee of in de woestijn, met een minimale kans op slachtoffers [...]'' – vooral onder de eigen mensen, voeg ik daaraan toe.

Maar, helaas, dat kan niet altijd. In Kosovo, bijvoorbeeld, gaat dat niet op. Henry Kissinger komt dan ook, in een artikel dat dezelfde Volkskrant heeft overgenomen, tot de conclusie dat Kosovo meer een Europees dan een Amerikaans veiligheidsprobleem is. ,,Kosovo is net zo min bedreigend voor Amerika als Haïti destijds voor Europa.'' Kissinger eindigt zijn artikel aldus: ,,Maar de steun voor een sterk buitenlands beleid en een sterke NAVO zal ongetwijfeld verdwijnen als we ze, in deze snel veranderende, turbulente tijden, niet verankeren in een heldere definitie van het nationale belang en als we ons buitenlands beleid geen richting geven.'' Geldt dit niet voor ieder lid van de NAVO, dus ook voor Nederland?

In de Internationale Spectator van maart staat o.a. een artikel van Jan Beyers over het maatschappelijk draagvlak dat de Europese Unie in België vindt. De Belgische openbare mening blijkt veel minder positief dan uit het officiële beleid kan worden opgemaakt. Conclusie: volgens zowel federalisten als pragmatici ,,moet `Europa' bij voorkeur een soort `België-in-het-groot' worden.''

In 1965 schreef ik in dezelfde Spectator een artikel waarin ik betoogde dat de meeste Nederlanders het Europa van de toekomst zagen als een `groter Nederland' – ,,een gemeenschap die zich tevreden stelt met de doeleinden van welvaart en sociale gerechtigheid, onderwijl de verantwoordelijkheid voor vrede en veiligheid in deze wereld aan anderen overlatend'' – een kijk op Europa die tien jaar later door het kabinet-Den Uyl gegoten zou worden in de conceptie van het `civiele Europa', door mij toen een `lieve conceptie' genoemd.

Een moeilijkheid is immers dat niet alle Europeanen diezelfde kijk op of conceptie van het Europa van de toekomst hebben. Want niet alleen de Belgen en de Nederlanders zien Europa als een uitvergroting van hun land en hun (politieke) cultuur. Ieder Europees volk doet dit.

Aardig interview in HN-Magazine (6 maart) van Rob Hartmans met de historicus Ger Harmsen, die weliswaar al in 1958 met het communisme had gebroken, maar lange tijd geloofde dat we naar een menselijker toekomst gaan. ,,Ik geloof daar geen barst meer van, ik zou niet weten waarop je dat geloof nog kunt baseren.

,,Zet tien mensen bij elkaar, en je hebt ruzie. Je hoeft maar om je heen te kijken welke gruwelijkheden er plaatsvinden. Denk bijvoorbeeld maar aan de onderdrukking en het geweld in veel gezinnen'' – en op straat, zou ik eraan toevoegen.

,,Wat er in ex-Joegoslavië gebeurt, dat is voor socialisten toch eigenlijk niet te begrijpen? Het miskennen van het belang van het nationalisme is hét zwakke punt van het socialisme geweest. Je kent die gevoelens niet, je kunt je niet verplaatsen in de mensen die zich erdoor laten opzwepen.'' En toch moet je als historicus proberen dat te doen.

,,Volstrekte objectiviteit is vermoedelijk onmogelijk, maar je moet er wel naar blijven streven. Iedere historicus wordt beïnvloed door tal van onbewuste drijfveren en wordt dus gekenmerkt door een ideologische en maatschappelijke bevangenheid.'' Niet alleen iedere historicus: iedereen.

Dit weekeinde heb ik ook de oratie gelezen waarmee dr. F.W. Boterman het ambt van bijzonder hoogleraar in de Nieuwe Duitse Geschiedenis, in het bijzonder de Nederlands-Duitse betrekkingen, te Groningen op 27 oktober j.l. aanvaardde. Hij sprak over Duitsland als Nederlands probleem: de Nederlands-Duitse betrekkingen tussen openheid en eigenheid.

Het accent van zijn betoog ligt op de periode vóór 1940, ,,want de anti-Duitse sentimenten en reflexen zijn van oudere signatuur''. Het is zijn stelling dat de factor Duitsland in het ontwikkelen van een nationaal zelfgevoel in Nederland van groot belang is geweest – en de ontwikkeling van dat zelfgevoel dateert niet pas van 1940.

Boterman acht, wat dat betreft, ,,de periode rond 1870, rond 1900, de Eerste Wereldoorlog en de jaren dertig'' heel belangrijk. Ze waren volgens hem, ,,hoogtepunten van Nederlands nationalisme, die niet los te zien zijn van de Duitse kwestie''.

Wat 1870, 1914-1918 en de jaren '30 betreft: akkoord. Maar ook de periode rond 1900? Zeker was dit ook een hoogtepunt van Nederlands nationalisme, maar dit werd toen niet in concurrentie met Duitsland beleefd, maar met Engeland. Dit immers was toen in oorlog met onze `stamgenoten' in Zuid-Afrika.

Een golf van nationalisme ging toen over Nederland heen, maar het was een gefrustreerd nationalisme. Wat immers kon Nederland tegen het machtige Britse imperium doen – behalve het sturen van een kruiser om de gevluchte Transvaalse president Paul Krüger op te halen?

Het is die frustatie die een historicus beschreef als ,,de prikkelbaarheid van een kleine natie met een groot verleden''. Maar ik dacht dat die uitspraak niet, zoals Boterman wil, van R.J. Fruin (die al vóór het uitbreken van de Boerenoorlog overleden was) is, maar van G.W. Kernkamp (1864-1943).