SG's in galop

n het politieke nieuws van de laatste maanden verdringen de secretarissen-generaal van de ministeries elkaar van de voorpagina. Elke week is er wel ergens een SG die een persoonlijke politieke mening ventileert of ostentatief op de stoel van zijn minister gaat zitten. De SG van Economische Zaken die het regeerakkoord bekritiseert, omdat het van te optimistische cijfers van de economische groei zou uitgaan. De SG van Algemene Zaken die in het openbaar de kwaliteit van de wetgeving van het ministerie van Justitie in twijfel trekt. De SG van Justitie die de ene keer het regeerakkoord op de korrel neemt omdat het de zeggenschap over de politie aan zijn ministerie heeft onttrokken en de andere keer een kandidaat voor het college van procureursgeneraal een instructie geeft die alleen de minister kan geven. En niet te vergeten de al genoemde SG van EZ, die in een interview met het PvdA-Vlugschrift publiekelijk afstand neemt van zijn minister door te verkondigen dat hij niet haar boodschapper is.

Paul Cliteur schreef in het Algemeen Dagblad van zaterdag dat de weberiaanse uitgangspunten van het parlementair democratisch bestel ,,lijken te zijn ingewisseld voor een modieuze innerlijk tegenstrijdige ideologie waarin topambtenaren optreden als kleine zelfstandigen''. De claim op vrijheid van meningsuiting voor ambtenaren in het openbaar is volgens deze Leidse jurist en bijzonder hoogleraar filosofie in Delft een markante expressie van die ideologie. Ook hij roept de SG van Economische Zaken als getuige aan omdat deze zich in interviews heeft uitgesproken voor het recht op vrijheid van meningsuiting voor ambtenaren.

De politieke galop van de secretarissen-generaal is al bijna gewoon geworden; voordat men het weet is men eraan gewend. Als we op die incidenten de WJG-norm toepassen dan lijkt Den Haag van God verlaten. De WJG-norm was de meetlat die mr. W.J. Geertsema, het staatsrechtelijk geweten van de liberalen in de jaren zestig, in zijn ministerschap (1971-'72) op zijn departement hanteerde. In zijn (veel te korte) periode op Binnenlandse Zaken was het ministerie een politieke vrijstaat waarin zijn beleidsambtenaren hem binnenskamers naar believen konden aanspreken en zeggen wat ze op hun lever hadden. Maar naar buiten moesten ze de regels in acht nemen en zich onthouden van uitspraken die de minister in het parlement in moeilijkheden zouden kunnen brengen. De norm die hij hanteerde vereiste publieke loyaliteit en strikte neutraliteit – twee klassieke uitgangspunten waarin de laatste jaren de klad is gekomen. ,,Het is het kenmerk van de bijzondere plaats en de bijzondere plicht van de deskundige ambtenaar, zodanig te handelen en te werken in de geest van `zijn' bewindsman dat deze zich voor zijn werk politiek verantwoordelijk kan stellen. Zo kan er van een vierde macht in de staat geen enkele sprake zijn'', aldus Geertsema in een toespraak tot een jubilerende ambtenarencentrale in 1972.

Het post-Geertsema-tijdperk is van zijn staatsrechtelijke ankers losgeraakt, maar toch is de toestand minder ernstig dan het lijkt. De Staat loopt geen gevaar en er is geen reden voor de vrees dat de politiek bedrijvende SG's met het gezag van de minister aan de haal zijn gegaan. Er is wel reden voor vervanging van een paar ministers die geen leiding geven aan hun hoofdambtenaren en daardoor hun gezag hebben verspeeld. Ministers die geen leiding geven veroorzaken verwarring onder hun ambtenaren en zijn zelf de bron van de regeringloosheid die daarvan het gevolg is. De Staat wordt niet van binnenuit ondermijnd, maar hij wordt wel bedreigd door staatkundig moreel verval. Minister Sorgdrager had vervangen moeten worden omdat ze een zwakke greep had op haar ministerie en daardoor geen einde kon maken aan de anarchie onder haar ambtenaren. Premier Kok, die met zijn openbare kritiek op het ambtenarenapparaat van Verkeer en Waterstaat onlangs een bedenkelijk constitutioneel precedent heeft geschapen, moet zich zorgen maken over ministers die mentaal hun zetel hebben ontruimd en gezagslacunes creëren waarin SG's aangemoedigd worden de tent te runnen.

Morgen komen drie ministers voor de parlementaire enquêtecommissie om daar aan de tand te worden gevoeld over de hoeveelheid informatie die zij over de Bijlmerramp van hun ambtenaren hebben gekregen en hoeveel zij daarvan aan het parlement hebben doorgegeven. Die verhoren zullen zich concentreren op de doctrine van de ministeriële verantwoordelijkheid, die de politiek verdeelt in een kamp van maximalisten en een kamp van minimalisten. De eersten vinden dat ministers verantwoordelijk zijn voor alles wat hun ambtenaren zeggen en doen, de laatsten menen dat die doctrine niet meer houdbaar is in een overgeorganiseerde bureaucratie die voor een deel aan publieke controle is ontstegen. Belangrijker dan de reikwijdte van die doctrine echter is de toepassing ervan in de praktijk. De ministeriële verantwoordelijkheid is een juridische fictie die niet geconstrueerd is om alle ambtenaren in een schepnet te vangen, maar om het politieke systeem beheersbaar te maken. In de praktijk hangt de toepassing van die regel minder af van de letter dan van de man. Zwakke ministers wordt het leven zuur gemaakt, sterke ministers krijgen in de regel vertrouwen.

Als de verhoren van de enquêtecommissie maar één voorbeeld opleveren van goed ministerschap, dan is alle hoop nog niet verloren. De democratie heeft goede voorbeelden nodig. Voorbeelden van politieke competentie en van ministerieel gezag, die de burger van de politiek verwacht. Zulke voorbeelden zijn gemakkelijker in het verleden te vinden dan in het heden, zoals Geertsema of minister Dales, naar wie de directeur van het Centrum Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel, Theo Dragt, vorige week op deze pagina met begrijpelijke nostalgie verwees. Dales beantwoordde in alle opzichten aan de intellectuele en zedelijke kwaliteiten waarop politiek gezag berust. Ook zij heeft te kort geregeerd en is te vroeg heengegaan.