Privatisering

In het televisiejournaal werd gesproken over de privatisering van de openbare begraafplaatsen. Ze toonden de publieke armoede, een verkommerde akker in een gemeente die geen geld meer had voor het onderhoud. En de frisse daadkracht van het particulier initiatief, de begrafenisonderneming die liet weten dat het onder haar leiding veel beter zou kunnen, al hing daar natuurlijk een prijskaartje aan. Een paar christelijke gemeentes wilden er niet aan, een iets minder christelijke gemeente had zich door de financiële nood gedwongen gezien om de begraafplaats uit handen te geven.

Het bevalt me niet, maar het is vreemd hoe gauw zulke dingen wennen. De afschuw toen voor het eerst de Amsterdamse trams met reclame beschilderd werden. Als in een streng christelijke gemeente de kerk op zondag tussen de diensten door als meubelpaleis gebruikt zou worden, dan zou de heilige verontwaardiging van de kerkgangers niet groter zijn dan de mijne toen ik het openbaar vervoer tot reclamezuil zag verworden. Je weet niet beter meer of het hoort zo.

In Amerika en Engeland is het al vrij gewoon dat gevangenissen in handen van het bedrijfsleven zijn. Zullen we ook nog zien dat de rechtspraak zelf geprivatiseerd wordt? Je bent geneigd te denken dat het niet kan, want als de staat zo'n fundamentele taak opgeeft, geeft hij zijn bestaansrecht op. Maar misschien is het ouderwets om te denken dat de staat bestaansrecht heeft.

Om terug te komen op die begrafenisondernemingen, het is niet zo dat ik ze geringschat. Ze hebben een slechte naam, zoals de beul, maar net als hij hebben ze de kalme zekerheid van de vakman bij wie je je in goede handen weet. De rustige waardige tred van de dragers. `Hier ligt Poot, hij is dood', dat is de cadans van hun langzame stappen en zo tonen ze waarom deze regels zo treffend zijn.

De generatie van mijn ouders laat zich het liefst cremeren en wij van de nieuwe knusheid zijn geneigd om daar een opzettelijk gebrek aan plechtigheid in te zien en we willen ons eigen kuiltje, liefst met uitzicht op een bos en op het water. ,,Dat zou je niet zeggen als je wist hoe het werkelijk op die begraafplaatsen toeging'', schreef me eens een lezer die wel gelijk zal hebben gehad, maar me toch niet overtuigde.

Het is trouwens moeilijk te zeggen wat plechtig is en wat niet. De begrafenis van Donner, lang geleden. Ik kwam de zaal binnen en er klonk een werkelijk buitengewoon banaal deuntje, muziek uit de film `Een man en een vrouw' van Claude Lelouche. Tranen in de ogen, juist omdat het zo'n onverwachte begrafenismuziek was en Donner opeens zo duidelijk aanwezig, met zijn vrolijke voorkeur voor banale deuntjes.

Een boekje uit 1952, The Space Merchants, van Fredrick Pohl en C.M. Kornbluth, beschrijft een wereld waarin het staatsgezag is afgestorven en de dienst wordt uitgemaakt door reclamebureaus en andere grote bedrijven. De nieuwe soevereine mogendheden. Het is van vier jaar later dan het veel bekendere 1984 van Orwell. Twee toekomstvoorspellingen die precies elkaars omgekeerde zijn, wat natuurlijk niet zo wonderlijk is, want de een trok het lijntje van het communisme door en de ander dat van het kapitalisme. Als voorspelling is The Space Merchants beter geslaagd, dat is duidelijk, en in dit geval is het nu eens niet zo dat de vooruitgang langzamer gaat dan werd verwacht, want dat superkapitalisme waarin de bedrijven de taken van de staten hebben overgenomen, werd door Pohl en Kornbluth in een verre toekomst geplaatst waarin ruimtereizen de gewoonste zaak van de wereld waren.

In een van zijn praatjes voor de Wereldomroep had Karel van het Reve het over zijn overwegingen bij het uitbrengen van zijn stem. Hij merkte tot zijn verbazing dat hij het in de zaken die hij belangrijk vond vrijwel geheel eens was met de standpunten van de VVD en geheel oneens met de PvdA. Hij stemde PvdA, zoals altijd. Het was de partij waarbij hij hoorde, ook al vond hij dat ze nergens gelijk in had.

Als kind was ik eventjes te links voor de PvdA, het grootste deel van mijn volwassen leven was ik er veel te rechts voor en de laatste tien jaar is de partij mij weer veel te rechts, zonder dat ik het idee heb dat ik ben opgeschoven. Nu wil ik niet zeggen dat ik toch op die partij stem, dat was lang geleden, maar wel dat ik steeds het gevoel had dat ik er eigenlijk bij hoorde, al sloeg dat nergens op.

Je komt ze af en toe nog tegen, de oude steunpilaren van de sociaal-democratie. Niet dat ze in leeftijd altijd zo verschrikkelijk oud zijn, het is meer dat ze me doen denken aan vervlogen tijden van rode wethouders die met kalm en knoestig idealisme de stad opbouwden in dienst van het volk.

Sommige ambtenaren van bouw- en woningtoezicht. Ze lopen door de buurt, zien van buiten een scheur, stoppen een briefje in de bus en later komen ze boven, met meetapparatuur die van voor de oorlog lijkt te stammen. Op kantoor hebben ze laserstralers, maar ze nemen gewoon de centimeter, want die doet het toch beter. Ze zijn wantrouwig tegen de huiseigenaar, van nature op de hand van de huurder en ze weten in korte tijd zoveel gebreken aan te wijzen dat het lijkt of je mooie huis een krot is dat op de nominatie staat voor een sloopvergunning, maar nee, zo erg is het niet, ze hebben in de stad wel erger bouwvallen gezien die nog steeds overeind staan, al zal er hier wel veel moeten gebeuren.

Knap lastig kunnen ze zijn, maar ze geven je wel het gevoel dat er een openbare dienst is die toeziet dat de stad niet verloedert. Ze staan voor iets dat je `het algemeen belang' kan noemen.

Die dienst zal ook wel eens geprivatiseerd worden, er zal uitgerekend worden dat het dan goedkoper kan en misschien is dat ook wel waar, maar wat die nieuwe geprivatiseerde dienst niet zal kunnen is een ambtenarenkorps scheppen dat zich op lange termijn verbonden voelt met het belang van de stad als geheel, en niet alleen met de tijdelijke opdracht. Het geloof der privatiseerders, daar zou eens een mooi boek over moeten worden geschreven.