Het ware wandelgenot

Een maand geleden liep ik rond het Leekstermeer. Ik begon bij Nienoord in Leek, waar de reigers alweer in de bomen nestelden. Na het bruggetje over het Leekster Hoofddiep dook ik de polder in; Leutingewolde liet ik rechts en Sandebuur liet ik links liggen. Dat laatste deed ik ook bij café `Het rode hert' in Roderwolde, al zag het uithangbord er uitnodigend uit.

Na dit veendorp kwam ik op de Hooiweg, die nu in beton is gegoten. Onderweg passeerde ik een leegstaand huisje waar een curieus waarschuwingsbord in de verwilderde tuin stond: in een roodomrande witte driehoek was een vlo afgebeeld. Dus: krakers pas op, achter de deur wordt u door ongedierte besprongen. Het pad liep daarna een tijdje parallel aan de snelweg naar Groningen en boog vervolgens bij Lettelbert weer het grasland in. Totale afstand: twintig kilometer. Andere wandelaars schitterden door afwezigheid.

Een week geleden ontvluchtte ik het winderige Groningen en dook bij Zuidlaren de bossen in. Drentsche A, Oudemolen, Taarlo, Balloërveld, het maakt allemaal deel uit van populaire fiets- en wandelroutes. Vooral voetgangers kruisten mijn pad. Fietsers wachten liever op zijdezacht lenteweer.

De wandelaars zijn weer los, zeker in Drenthe. Zij volgen een van de vele knapzakroutes, die zijn uitgezet door de Vereniging van Kleine Dorpen, of zij lopen een stuk van het Nivon-, het Drenthe-, het Pieter- of het Naoberpad. Niemand herinnert zich meer de woorden van dominee Craandijk, die aan het eind van de vorige eeuw lange wandelingen door deze provincie maakte. ,,Kan men wandelen in Drenthe?'' vroeg hij zich af. ,,Wat kan men er verwachten dan afmattende eentoonigheid, afgelegen boerendorpjes, zandige wegen, verzengende zonnegloed in den korten zomer, doodsche vlakten, waarop gij urenlang omdwalen kunt zonder een levend wezen te zien?'' Waarna hij geestdriftig verslag uitbrengt van de ene fraaie wandeling na de andere. Kennelijk moest hij zijn lezers er nog van overtuigen dat je niet alleen in het Gooi of langs de Vecht de benen prettig kon strekken.

Het gaat erom je eigen voetstappen weer te kunnen horen. Bovendien ben je in de gelegenheid het landschap te ondergaan en in zijn samenhang te begrijpen. ,,Je wandelt over de regels van de geschiedenis'', zegt een boekje over het Lange Afstand Wandelen. ,,Over een kreekrug, langs een grafheuvel, een pestbosje, een kruisbeeld. Over een oude ophaalbrug of een moderne stuw. Daar kan geen computerspelletje of televisiequiz tegenop.''

Dat laatste zinnetje vat het wandelsentiment aardig samen. De wandelaar zet zich af tegen de moderne technologie en het massa-amusement. Hij ontvlucht de stad en hoopt in de rust van de natuur en het oude cultuurlandschap weer tot zichzelf te komen. Hij keert de moderne beschaving letterlijk de rug toe. Wat is er ergelijker dan op een knapzakroute een man tegen te komen die luidruchtig in zijn mobiele telefoon loopt te kletsen? De moderne wandelaar is een weeskind van de Romantiek. De romantici lieten de stad achter zich en wendden zich tot de `woeste' natuur. Daar hoopten zij belangrijke ervaringen op te doen. Die hoop is er nog steeds. Waarom volgt men anders de oude pelgrimspaden?

Onderweg krijg je oog voor het speenkruid en de gierzwaluw. Wij zitten hier dicht bij de idealen van de grote natuurvriend Jac. P. Thijsse, die graag wilde dat de stadsmens het verschil zag tussen een braam en een framboos. Zijn leerling Jan Strijbos noemde hem een `aartswandelaar': ,,Uren achtereen kon hij wandelen, geen Nederlander kent zijn vaderland beter dan hij. Wat kon hij niet opgetogen vertellen toen hij een vijfdaagse mars gemaakt had, een tippel van de zuidpunt van Texel af over Vlieland naar de oosthoek van Terschelling.''

Hetzelfde gold voor de Schotse schrijver Robert Louis Stevenson. Behalve `Schateiland' en `Het ware verhaal van dr. Jekyll en mr. Hyde', schreef hij een opgetogen boek over een twaalfdaagse wandeling door de Franse Cevennen. Zijn enige metgezel was een ezeltje. ,,Ik reis niet om ergens heen te gaan'', schreef hij, ,,maar ik reis om het reizen. Het belangrijkste is in beweging te blijven; uit het donsbed van de beschaving te stappen, te ontdekken dat de aarde onder je voeten van graniet is en bezaaid met scherpe stenen.''

Weg uit het donsbed van de beschaving – daarmee wordt het `wandelgevoel' heel mooi en raak getypeerd.