Het gaat slecht met de literatuur

Lezers durven alleen nog maar bestsellers te kopen. Hierdoor komt het andere goede boek in het gedrang, vindt Herman Stevens.

Het gaat goed met de Nederlandse literatuur. Volgens CPNB-directeur Kraima werden er vorig jaar 38 miljoen boeken verkocht in dit land, en dat waren geen kook-, afslank- of tuinierboeken. Het waren echte leesboeken. De gigantische oplage van het Boekenweekgeschenk laat zien dat het publiek dat in aanraking komt met literaire boeken – ook al is het maar eens per jaar – groter is dan ooit te voren. Wie de driekwart miljoen exemplaren van Connie Palmens De erfenis stuk voor stuk achter elkaar legt, komt verder dan de Betuwelijn ooit zal komen, en dat mag een symbool zijn voor de exportwaarde van de huidige Nederlandse literatuur.

Tessa de Loo, Anna Enquist, Marcel Möring en Elle Eggels slepen in het buitenland voorschotten weg die voorheen alleen aan de groten der wereldliteratuur leken voorbehouden. Zo doen Nederlandse schrijvers het goed in Duitsland. En ook in catalogi van Britse uitgeverijen komen we steeds vaker Nederlandse gezichten tegen. Dit succes in het grote buitenland heeft de lezers een nieuw vertrouwen in de eigen literatuur gegeven. Er zijn hobbyisten die in het Engels opnieuw aan Mulisch' The Discovery of Heaven beginnen. Voor het grote publiek heeft het buitenlandse succes de Nederlandse literatuur bevrijd van haar oude spruitjeslucht.

Toch is er niet alleen goed nieuws in de jaren negentig. Meer mensen lezen literatuur, zeker, maar die mensen lezen allemaal hetzelfde boek. Per seizoen verschijnen er makkelijk honderd literaire romans, maar daarvan zijn er maar een paar die bekendheid krijgen buiten de kringen van fanatieke lezers. Zo kunnen de jaren negentig worden gereconstrueerd als een estafette van bestsellers – De Wetten, De ontdekking van de hemel, De tweeling, Het meesterstuk, enzovoorts – terwijl de rest van de literaire productie nauwelijks enig spoor heeft achtergelaten.

Uitgevers mogen geprezen worden dat ze nog moeite doen andere boeken op de markt te brengen dan de zekere bestsellers. De grote publiekssuccessen nemen immers een steeds groter deel van de markt in beslag. Bestsellers verkopen steeds beter, terwijl de rest van de titels steeds slechter loopt. Soms anticiperen uitgevers al op dit boekenkannibalisme. Het najaar dat De ontdekking van de hemel verscheen (met een winkelprijs van ƒ 75,- één boek voor de prijs van twee), hielden de andere uitgevers hun literaire troeven in reserve voor het volgende voorjaar.

Met zijn lange staat van dienst laat Mulisch zien wat er veranderd is in het afgelopen decennium. Terwijl De aanslag tien jaar nodig had om het punt van honderdduizend verkochte exemplaren te bereiken, lukte dat met De ontdekking van de hemel in een jaar tijd, ook al is het zeker geen betere roman. En dan hebben we het nog niet over de 250.000 exemplaren die binnen één jaar van Palmens I.M. over de toonbank zijn gegaan.

In de jaren tachtig kochten die honderdduizend eerste lezers De aanslag op het moment dat ze eraan toe waren, en kozen iets anders – Siebelink, Biesheuvel, Hotz – wanneer ze daar behoefte aan hadden. Er was geen haast. Boekhandels waren toen nog ruimtes om te snuffelen. De huizenhoge stapels moesten nog komen. Zulk onbekommerd leesgedrag lijkt iets van het verleden geworden, net als wegen zonder files.

In de jaren negentig is literatuur een zaak van snelle massale publieksbewegingen geworden. Binnen enkele maanden heeft iedereen hetzelfde boek in huis gehaald, met een eenkennigheid die alle andere romans tot muurbloempjes maakt. Zo komt het dat veel schrijvers, en vooral degenen die in de afgelopen vijftien jaar zijn gedebuteerd, nauwelijks een publiek kunnen vinden. In het tijdperk van de verpletterende bestseller is geen ruimte voor schrijvers die nog moeten groeien.

Een voorbeeld. Toen auteur Atte Jongstra vorig jaar opstapte bij uitgeverij Contact, liet een medewerker zich ontvallen dat het bedrijf het wel zou overleven, gezien het feit dat van Jongstra's laatste boek 147 exemplaren waren verkocht. Honderdzevenenveertig. En dan hebben we het niet eens over poëzie. Zo liggen de verhoudingen in de jaren negentig. Het kan zijn dat het publiek gewoon een goede neus heeft en dat Connie Palmen boeken schrijft die tweeduizend keer zo goed zijn als die van Jongstra. Voorlopig houd ik het erop dat het lezerspubliek, ondanks het succes van de Nederlandse literatuur, onzekerder is dan ooit tevoren.

De cijfers liegen niet. In lange tijd is het niet zo slecht gegaan met de Nederlandse literatuur. We durven niet meer te lezen. We lijken wel bang aan het verkeerde boek te beginnen. Net als de andere vormen van kunstconsumptie is lezen een vorm van sociaal gedrag. Niemand neemt een koffer vol boeken mee naar een onbewoond eiland, want daar is niemand met wie je erover kunt praten. Literair Nederland begint zo langzamerhand de trekken van een onbewoond eiland te krijgen, want over één boek dat iedereen gelezen heeft valt ook weinig nieuws te vertellen. Dat hebben de media al voor ons gedaan.

De overkill waarmee de journalistiek zich elke keer weer stort op de geheide successen, het schrille vlagvertoon rond de vertalingen (`Mulisch verovert Amerika!') en, niet op de laatste plaats, de radeloosheid waarin het onderwijs al decennia verkeert, hebben ervoor gezorgd dat we onze eigen literatuur lezen als kwam die uit een ander taalgebied. We kennen alleen wat goed verkoopt, liefst over de grens. Nog even en de literatuur – die ons verhalen influistert die we nergens anders horen – is een gesloten boek voor ons geworden.

Herman Stevens is schrijver.