Asielprocedure moet helder zijn

De huidige asielproblematiek is alleen op te lossen als er een snelle en heldere asielprocedure komt waarbij rekening wordt gehouden met de politieke situatie in het land van herkomst, vindt Han Entzinger.

Het Haagse gekrakeel over het asielvraagstuk van de laatste weken heeft vooral geleid tot meer polarisatie. Loze kreten, onrijpe plannen en verdragsrechtelijke onmogelijkheden vlogen ons om de oren. Een oplossing lijkt verder weg dan ooit. De gemiddelde kandidaat-asielzoeker zal het geheel met belangstelling hebben gevolgd, evenals de gemiddelde `reisagent' die voor een asielzoeker een kansrijk land zoekt. Een land dat zo slecht weet wat het wil, wordt alleen maar aantrekkelijker voor migranten-in-spe, avonturiers en mensensmokkelaars.

Nu de verkiezingen voorbij en de kruitdampen iets opgetrokken zijn, wordt het hoog tijd de hoofdpunten van wat ons werkelijk te doen staat weer op een rij te zetten. Op drie terreinen is het nodig tot actie te komen. Het tijdsbestek van elk van die acties is verschillend, maar urgent zijn ze alledrie.

Op de meest korte termijn moeten de opvang van de asielzoekers en de verwerking van hun aanvragen voor het vluchtelingschap drastisch worden verbeterd. Dit is geheel een binnenlandse aangelegenheid. Het grootste probleem is niet dat er te veel asielzoekers komen voor het aantal opvangplaatsen, waardoor het systeem zou `ontploffen'. Nee, het probleem is vooral dat veel asielzoekers te lang van die opvang gebruikmaken, waardoor de doorstroming binnen de opvangcentra geblokkeerd raakt. Ten minste drie verbeterpunten zijn hier denkbaar.

In de eerste plaats moet de eerste selectie – in de onderzoekcentra in Zevenaar en Rijsbergen – strenger worden. Het moet mogelijk zijn meteen bij de eerste schifting meer asielaanvragen door te prikken dan de slechts enkele procenten waarbij dit nu gebeurt, zonder dat hiermee de noodzakelijke zorgvuldigheid geweld wordt aangedaan. Misschien is daarvoor iets meer tijd nodig dan de 24 uur die hiervoor nu maximaal beschikbaar is. De extra kosten hiervan zullen zich in een later stadium stellig terugverdienen.

Ten tweede kan de afhandeling van asielaanvragen worden versneld. De in het regeerakkoord voorgenomen beperking van het aantal verblijfsstatussen is van belang, ook omdat het aantal beroepsmogelijkheden hiermee navenant wordt beperkt. Uiteraard mag ook dit niet ten koste gaan van de zorgvuldigheid, maar tijdwinst is bijvoorbeeld te boeken door efficiëntere procedures voor het inwinnen van informatie over de situatie in de landen van herkomst (de zogenoemde ambtsberichten). Vaak gaan daar nu vele maanden overheen.

Ten derde moeten asielzoekers die hier niet mogen blijven daadwerkelijk worden teruggezonden naar hun land van herkomst, hoe pijnlijk we dat ook mogen vinden. De kracht van het vluchtelingenbeleid in Denemarken en Zweden is dat zij dit onplezierige sluitstuk van een mislukte asielaanvraag niet uit de weg gaan. De aantrekkingskracht op pseudo-asielzoekers vermindert hierdoor, en serieuze politieke vluchtelingen krijgen zo meer ruimte.

Snelheid en helderheid van procedures zijn ook in het belang van de asielzoekers, omdat hiermee eindeloos wachten in de opvangcentra wordt voorkomen, met alle onzekerheden en hospitaliseringseffecten van dien. Hoe eerder bekend is wie mag blijven, des te eerder kan het integratieproces beginnen. Het alsnog uitzetten van niet toegelaten asielzoekers is na twee jaar veel lastiger dan na twee weken, of zelfs na twee maanden. Dit geldt zowel voor de direct betrokkenen als voor de politiek verantwoordelijken, zoals de telkens weer oplaaiende discussie over de Bosniërs laat zien. Na een bepaalde periode (bijvoorbeeld drie jaar) zou niemand meer uitgezet moeten kunnen worden, ook niet diegenen die om uiteenlopende redenen niet voor een vluchtelingenstatus, maar wel voor een verblijfsvergunning in aanmerking kwamen. Dat geeft rust en zekerheid, wat van levensbelang is voor een goed verloop van de integratie. Snelheid en helderheid vragen echter wel om een goed geoliede organisatie van opvang en beoordeling. Alle hierbij betrokken overheids- en andere instellingen moeten niet alleen beter gaan functioneren, maar ook beter met elkaar samenwerken. Misschien is het achteraf wel fout geweest de IND en het COA als uitvoerende diensten op afstand van het ministerie van Justitie te plaatsen. Als iets een kerntaak van de overheid is, dan is het toch wel de toelating van vreemdelingen.

Op de middellange termijn – maar liefst wel zo snel mogelijk – moet de Europese aanpak van het asielvraagstuk een feit worden. Het Verdrag van Amsterdam biedt hiertoe de mogelijkheden. In de praktijk blijkt het steeds lastiger dat Europa wel een gezamenlijk immigratiebeleid voert, maar de concrete uitvoering ervan overlaat aan de afzonderlijke staten. Geen wonder dat de asielzoekers dan het liefst naar een lidstaat gaan waar de kans op een verblijfstitel groot is, en dat die lidstaat dus veel asielzoekers krijgt. Nederland bevindt zich momenteel in die positie, en daarom pleit Nederland het hardst voor een gelijkwaardiger lastenverdeling. Duidelijk is dat veel andere lidstaten hiervoor weinig of niets voelen. Toch is het uiteindelijk de enige oplossing, omdat anders elk land op zijn beurt ooit in de positie kan komen die Nederland nu inneemt, en die Duitsland en Denemarken eerder bekleedden. Nederland zal zich echter wel moeten realiseren dat meer gezamenlijkheid in het asielbeleid onvermijdelijk betekent dat het zijn opvangprocedures in de richting van het Europees gemiddelde zal moeten bijstellen. Dat wil zeggen dat die niet alleen sneller en helderder moeten worden, maar vermoedelijk ook wel wat soberder. Een volgende stap zou dan een gezamenlijke Europese opvang kunnen zijn, ergens op het grondgebied van de Unie, maar eventueel ook in de regio van herkomst. Dit kan allemaal zonder aanpassing van het Vluchtelingenverdrag.

Het is onwaarschijnlijk dat alle vijftien lidstaten bij zulke plannen staan te juichen. Sommige van die vijftien ontvangen nu zelfs opmerkelijk weinig asielzoekers. De meeste asielzoekers worden er niet eens in behandeling genomen en migranten duiken hierom liever meteen de illegaliteit in. Dit is vooral in Zuid-Europa het geval. Daarom zou een Europese oplossing meer kans maken als de vraagstukken van asiel en illegale migratie nadrukkelijker dan tot dusverre aan elkaar worden gekoppeld. Beide fenomenen zijn trouwens ook uitingen van dezelfde ongelijkheid in kansen en mogelijkheden tusen mensen in een steeds kleiner wordende wereld.

Daarmee kom ik op het derde en laatste terrein waaraan moet worden gewerkt, maar dan wel met een veel langer tijdsperspectief. Naarmate de situatie in landen van herkomst verbetert, zal daar de noodzaak verminderen tot emigratie, zowel om politieke als om economische redenen. Dit vraagt om een goed ontwikkelingsbeleid, waarvan investeringen, het afbreken van handelsbarrières en het waarborgen van mensenrechten belangrijke elementen zijn. Als kapitaal en goederen zich vrijer over de wereld bewegen, zullen de perspectieven van mensen verbeteren en zijn zij minder vaak gedwongen naar elders te trekken.

Daarnaast moet West-Europa goed nadenken over de vraag hoe in toekomstige behoeften op de eigen arbeidsmarkt te voorzien. Sommige bedrijfstakken laten zich nu eenmaal niet verplaatsen, met name in de dienstensector (zorg, bouw, horeca, schoonmaak). Door de vergrijzing kunnen hier tekorten ontstaan. Om hierin op een verstandige manier te voorzien, moet een systeem van (arbeids)migratie worden ontwikkeld, al dan niet op tijdelijke basis. Als we hiervoor de ogen sluiten, zullen de migranten toch wel komen, maar dan als pseudo-asielzoekers of illegaal. Europa merkt steeds meer tot welke politieke en maatschappelijke spanningen dit kan leiden. En daarmee zijn we weer terug bij de noodzaak van een snelle en heldere asielprocedure, eerst en vooral in het stroperig-bureaucratische Nederland.

Prof.dr. Han Entzinger is hoogleraar algemene sociale wetenschappen aan de Universiteit Utrecht, en is gespecialiseerd in vraagstukken op het gebied van migratie en integratie.