Vogelvakantie

Beziet de vogelen des velds, zij arbeiden niet en zijn toch goed gevoed. Dat is mijn papegaai ten voeten uit. Mattheüs zag het goed. Een leeg voerbakje komt altijd weer vol. Haar ontbreekt het aan niets. Alleen die vakanties van haar partner gooien roet in het eten. Zij blijft eenzaam achter.

Ieder jaar verliep de tragedie hetzelfde. Maar deze vakantie ging het anders. Ze had zich niet kaal geplukt. Ze had er veren bij. Ik geloofde mijn ogen niet. Ze zat ook niet in haar kooi toen ik haar kwam halen. Ze zat op het fonteintje in de wc. Haar gastvrouw was enthousiast over de lieve vogel.

De papegaai liet zich dagelijks vervoeren op een draagstok. Dat was haar buurtbus. Een paar keer per dag maakte de stok een rondgang door het huis: naar het fonteintje, de strijkplank, de gootsteen, de konijnenhokken of haar kooi. Als de vogel haar vleugels uitspreidde betekende dat: `Ik wil hier uitstappen.' Koppie naar beneden was: `Nee, hier wil ik niet zijn, loop maar door.' Vleugels wijd en klokkende drinkgeluidjes erbij betekende: `Hier wil ik afstappen. En zet de kraan voor me open.' Ze houdt van stromend water.

Een groot deel van de dag zat ze op de konijnenhokken. In de tuin had ze vrienden en kennissen bij de barbecue vermaakt met onbegrijpelijke volzinnen. Ze at met smaak van de kippenpootjes. Haar schaterlach galmde door de hele straat. Daar werd iedereen vrolijk van. Baden deed ze iedere dag om 16 uur op de rand van de bak met water voor de honden.

Als ze kletsnat terugschommelde naar de kooi riep de gastvrouw tegen de honden: `Vlug jongens, we doen gauw de kachel aan, want Tjoeki heeft gebadderd.' Ik kon het allemaal nauwelijks geloven. Gewoonlijk waren mensen zeer opgelucht als ik haar kwam halen. Deze lieve vrouw kreeg tranen in de ogen toen ik met de kooi de deur uitging.

Ik had haar van tevoren niet verteld hoe al die voorgaande vakanties waren verlopen. Een pijnlijk afscheid. Onbegrip, beledigd, gekwetst was de vogel als ik weg ging. Ik zei `Dag' en zij riep `Dag' terug, maar haar `Daaaag!' ging door merg en been. Als ik op straat bij mijn auto stond hoorde ik het nog. Er klonk verwijt in door, en ook: `Als je zo nodig moet, ga dan maar. Ik houd je niet tegen.' Ik liet haar achter in een vreemde omgeving met onzekere mensen. Na een week begon ze zich uit te kleden. Eerst was de linkervleugel aan de beurt. Een voor een trok ze de veren eruit. Slagpennen eerst. Was de vleugel klaar dan deed ze haar mooie rode staart. Daar zat ze dan. Een vogel met een vleugel zonder staart. Daarna begon ze aan haar borst. Dit herhaalde zich meer dan dertig jaar. En omdat mensen, die haar een keer te logeren hadden gehad, op een ander gespreksonderwerp overstapten als mijn vakantie ter sprake kwam, logeerde ze ieder jaar ergens anders.

Het was voor niemand een pretje. De eerste week was nog wel te doen. Ze wenden aan het pesterige gekrijs 's morgens vroeg, het woeste gerammel aan het deurtje en het oorverdovend fluiten omdat ze er niet uit mocht. Aan het einde van de eerste week begon ze zich uit te kleden. Dat vonden die mensen erg. Ze dachten dat ze iets niet goed deden. Ze gingen haar afleiden om erger te voorkomen. Maar dat lukte niet. Als mijn vogel uit de kleren wil gaan houdt niemand haar tegen. Soms maakten die mensen in hun wanhoop de kooi open. Dat hadden ze beter niet kunnen doen.

Mijn zachtaardige moeder maakte de kooi open. Het lieve mens had geen benul van dieren. Mensen zijn binnenshuis en dieren horen buiten, dat was haar visie. Mijn vogel vloog in die tijd als een aangeschoten bommenwerper. Ik had haar gewaarschuwd. Ze had er alle vertrouwen in dat het goed zou gaan.

Ik belde vrolijk naar mijn moeder dat ik terug was van vakantie. Ik was heerlijk uitgerust. Ze vroeg niet hoe het geweest was. Ze was niet blij dat ik terug was. Ze riep: `Je moet onmiddellijk komen! Je weet niet wat ik heb meegemaakt! Je moet NU onmiddellijk komen.'

`Mag ik eerst uitpakken?'

`Nee,' riep ze, `je moet onmiddellijk komen.' De boodschap was duidelijk. Het was niet goed gegaan.

Ik geloofde mijn ogen niet. Van de gezellige woonkamer was niet veel over. De vogel hing ondersteboven aan een gordijnrail, maar haar vaste stekkie was op de hanglamp die zo gezellig in de rondte bleef zwieren als ze landde. Die lamp had ze ondergescheten. Ik zag barrières van planken. Naast de kooi lagen ijzeren stangen. De gordijnen zaten vol gaten en vogelpoep. Sierlijsten bij de gordijnrail had ze losgewurmd van de muur. Schilderijen hingen scheef. Mijn moeder stond verloren te kijken. Ze zag eruit als een geest. Wat was er gebeurd?

Uit medelijden had ze de papegaai losgelaten omdat die zo zielig aan het deurtje van de kooi zat te rukken. Ze had de vogel er niet meer ingekregen. Het beest kwam nog wel eten halen in zijn kooi maar dan hield het met een poot het deurtje open. Ze durfde niet met de stang op zijn pootje te slaan.

De vogel had al haar veren nog.

Dat was niet het geval toen ik niemand meer in mijn omgeving kon vinden, die haar nog wou hebben. Mijn moeder was afgevallen.

Ten einde raad vroeg ik ome Ben. Die had een dierenwinkel in de buurt. Ome Ben was iemand met verstand van dieren. Hij sprak met gezag over papegaaien. Zijn vogels hield hij in een betegelde ruimte met TL-verlichting. Er was geen daglicht in die badkamer. Daar zat van alles door elkaar. Parkieten, kanaries, konijnen en hamsters. De kooi van mijn vogel kon er nog net bij. Hij verzekerde mij dat ik de vogel niet zou herkennen als ik terugkwam, hij wist wat ze nodig had voor dat rafelige verenkleed. Vitamines moest ze hebben en speciaal voer voor vogels met een ruistoornis.

`In het weekend doe ik het licht uit', zei ome Ben.

Dat leek me niet zo leuk. Maar ik had geen keus.

Bij terugkomst parkeerde ik mijn auto bij de winkel en zag tot mijn verbazing ome Ben naar buiten stormen. Hij schreeuwde naar me: `Ze leeft nog, ze leeft nog!' Ik kreeg slappe knieën. Ik dacht dat ze stervende was.

Wat ik aantrof in de badkamer van ome Ben was een miezerig vogeltje dat zich totaal kaal had geplukt, beide vleugels, staart, borst en rug, alles was kaal. Alleen op het koppie zaten nog veertjes. Ome Ben vertelde dat er kinderen in de winkel waren gekomen die vroegen of die jonge papegaai te koop was. Hij had de verkoper van het speciale papegaaivoer de deur uitgegooid. Hij had er alles aan gedaan, zei hij, speciale vitamines had hij gegeven, maar het had niet geholpen.

Natuurlijk groeide alles weer aan. Dat duurde driekwart jaar. Tegen de tijd dat ik weer met vakantie ging zat het hele verenpak er weer aan en begon het zoeken naar een geschikt adres opnieuw. Ome Ben was afgevallen.