Uitvaart

,,Waar ik me soms zorgen over maak is de eigen uitvaart'', schreef Karel van het Reve in De ondergang van het morgenland. Dat bleek achteraf niet nodig. Het was zaterdag op Westgaarde weliswaar echt Hollands begrafenisweer, maar de toespraken waren goed en de muziek ('Het moeilijkste is de muziek') was mooi.

Bij de crematie van iemand als Karel van het Reve ben je wel verplicht sober en bondig te spreken, iets wat de meeste sprekers goed bleken te beseffen. Vooraf zei dochter Jozien dat haar vader geen enkele instructie voor zijn dood had achtergelaten. ,,Mijn ouders wilden nog heel lang blijven leven.'' Ze vertelde dat `een griepje' hem fataal was geworden.

Er waren enkele toespraken die ik niet snel zal vergeten. Een van Van het Reve's kleinzoons, een tiener nog, vertelde ontroerend over het goede contact dat hij met zijn grootvader had gehad. Zijn grootvader had hem leren rennen en ze hadden samen de Odyssee doorgenomen, maar er waren ook stille momenten geweest, ,,waarop ik de onmetelijke kracht van mijn grootvader in me voelde overgaan en dacht: nu kan ik de wereld weer aan''.

Er vielen ook harde woorden. Rudy Kousbroek herinnerde aan `de nijd' die Van het Reve had opgewekt ,,bij de talentlozen wier bolwerk de universiteit is''. David van het Reve, de zoon, haalde uit naar de niet aanwezige broer Gerard, die met `zijn geraas' zijn ouders ongelukkig had proberen te maken.

De rede van David was indrukwekkend. De losse toon, de ingehouden ironie, de scherpte – het was alsof je zijn vader hoorde spreken. David benadrukte dat zijn vader een zeldzaam milde, verdraagzame man was geweest. Het generatieconflict tussen hen, zo typerend voor de jaren zestig, was nooit van de grond gekomen. Het was hem maar niet gelukt zijn vader `een faksist' te noemen. Zijn vader legde hem niets op, gebruikte alleen `dwingende argumenten'.

David verzette zich tegen het door sommigen gekoesterde vooroordeel dat zijn vader ongevoelig zou zijn geweest. Hij verwees onder meer naar zijn inleiding bij het dagboek van David Koker, zijn in de oorlog omgekomen joodse vriend.

Vermoedelijk doelde David vooral op deze alinea: ,,Hij was mijn beste vriend. Een paar keer per jaar droom ik van hem. Hij is in Amsterdam. Hij komt bij mensen die ik ook soms ontmoet. Maar hij komt niet naar me toe, en ik begrijp dat niet. Ik wil daar iets aan doen, naar hem toegaan en onze vroegere betrekkingen herstellen, maar om de een of andere reden kan dat niet. Hij wil dat niet, maar ik weet niet waarom.''