Titanic

De enige winterse reismogelijkheid van Zweden naar Finland was vroeger per slee, over de bevroren Botnische Golf. De ontdekkingsreiziger Joseph Acerbi beschreef zo'n tocht rond 1800: een enorme vlakte vol ijsruïnes, moeizame doorgangen en paarden die gek werden van de witheid. Eentje brak los, achter hem sprong en danste de slede, en dat lawaai joeg het dier nog verder op. `Toen hij al ver weg was, zagen we hem zo nu en dan nog als een donkere vlek, die telkens weer oploste in de lucht, totdat hij geheel uit ons zicht verdween.'

Lenin nam, ruim honderd jaar later, de omweg per trein. De Britse officieren bij de Finse grens – toen nog een deel van Rusland – waren uitstekend op de hoogte, een enkel lid van het gezelschap werd tegengehouden, maar vreemd genoeg liet men de `russisch-orthodoxe journalist' Lenin gewoon door.

Ik maak de reis in de Silja Serenade, een Titanic met twaalf verdiepingen, vijf restaurants, een theater, een promenade als een middelgroot winkelcentrum en tweeduizend passagiers die zich over niets verbazen. In de vroege ochtend blijkt op het bovendek een halve storm te waaien, maar het schip glijdt voort als een strijkijzer Gods. We ploegen door een eindeloze witheid, de ijsschotsen knallen met doffe dreunen, en op het besneeuwde dek moet ik me vasthouden tegen de fluitende wind. Ondertussen wordt in Le Bon Vivant in alle rust ontbeten. De parfumerie doet alweer goede zaken. Het lawaai begint pas op de lagere dekken, en bij de boeg, waar de vrachtwagenchauffeurs slapen, is het geraas ongekend en angstaanjagend.