Referendum-rumoer

EIGENLIJK ZOU D66 niet mogen mopperen. Slechts een paar dagen nadat de uitslag van de verkiezingen voor de Provinciale Staten aanleiding gaf voor diverse beschouwingen over het bestaansrecht van de partij, reiken VVD-senatoren D66 een uitstekend profileringspunt aan. De aarzeling van de liberale Eerste-Kamerleden Wiegel en Heijne Makkreel om straks in te stemmen met de grondwetswijziging die het correctief referendum mogelijk moet maken, geeft de Democraten alle ruimte zich op te werpen als partij van de staatkundige hervorming. D66 heeft zich die kans dan ook niet laten ontnemen. Er zijn dit weekeinde weer vele grote woorden gesproken. Mocht de VVD in de Eerste Kamer het wetsvoorstel tegenhouden dan betekent dit volgens fractievoorzitter Schuyer van D66 in de senaat het einde van de deelname van zijn partij aan de paarse coalitie. Het was overigens dezelfde waarschuwing die Schuyer ruim drie jaar geleden aan het adres van de VVD richtte.

Alles duidt op een klassieke confrontatie tussen kabinet en een opstandig deel van de Eerste Kamer. En wederom is de vraag: hoe hoog durven de dwarsliggers het te spelen? Anders gezegd, blijven zij volharden in hun verzet of binden zij in als het kabinet uiteindelijk het machtswoord heeft gesproken? Het zal pas op dat moment blijken.

HET CORRECTIEF referendum was in 1994 de prijs die D66 bedong bij toetreding tot het paarse kabinet. Sindsdien is de animo bij de andere coalitiepartijen voor dit voornemen alleen maar afgenomen. De VVD-fractie in de Tweede Kamer voelde er nooit wat voor, maar achtte zich gebonden aan het regeerakkoord. Binnen de PvdA is men na de `officieuze' referenda over de vorming van de stadsprovincies in Amsterdam en Rotterdam over dit instrument ook genuanceerd gaan denken. Zo was het de PvdA'er Melkert die in 1995, verwijzend naar het referendum, opmerkte dat niet de `one-issue-beweging' de afgelopen jaren tekort was gekomen, maar de integrale belangenafweging.

Ondanks de vele aarzelingen is de voorgenomen grondwetswijziging die het correctief referendum mogelijk moet maken in een ver gevorderd stadium. Zowel de Tweede als de Eerste Kamer heeft er al in eerste lezing mee ingestemd. In de Tweede Kamer is het referendumvoorstel onlangs ook voor de tweede keer, nu met de benodigde meerderheid van tweederden, aangenomen. Het woord is dus nu voor de laatste keer aan de senaat. Pikant is dat volgens de oude regels de wetswijziging zeker in de Eerste Kamer zou zijn gestrand. In de nieuwe Eerste Kamer, die eind mei aantreedt, is er – ook al zou de VVD unaniem vóór stemmen – geen meerderheid van tweederden. Het referendumvoorstel heeft alleen kans van slagen doordat in 1994 een wetswijziging is aangenomen die zegt dat voor de tweede lezing van een grondwetswijziging alleen maar een nieuwe Tweede Kamer vereist is en geen nieuwe Eerste Kamer. Het kabinet moet het dus hebben van de oude Eerste Kamer; dat verklaart ook de haast van premier Kok.

DE POLITIEKE realiteit is dat over het correctief referendum tussen de coalitiepartijen duidelijke afspraken bestaan. Er zijn inderdaad veel vraagtekens te plaatsen bij deze vorm van volksraadpleging. De keuzes zijn echter gemaakt. Weliswaar hoeven Eerste-Kamerleden zich niet gebonden te achten aan het regeerakkoord, een morele binding hebben zij wel. De senatoren kenden immers het regeerakkoord waarin het referendum was opgenomen toen zij in 1995 tot de senaat toetraden.