Indonesië hoort ook op de `lijst van 19'

Onlangs maakte minister Herfkens bekend dat zij het aantal landen waarmee Nederland een volledige bilaterale ontwikkelingsrelatie onderhoudt, sterk wil terugbrengen. Alleen arme landen waarvan de regeringen een goed beleid voeren komen nog in aanmerking voor onze hulp. Blijkbaar voldoen 19 landen aan de criteria die Herfkens stelde: vooral Afrikaanse landen, maar ook Pakistan en Jemen, waarop de minister `verliefd' is.

Vreemd genoeg valt Indonesië buiten de boot. Toch zijn er redenen genoeg aan te voeren waarom het van belang is juist nu met Indonesië een sterkere ontwikkelingsrelatie aan te knopen. Het valt niet goed te begrijpen waarom Pakistan bijvoorbeeld geprezen wordt om haar beleid en bestuur, terwijl Indonesië terughoudend wordt benaderd. Een van de criteria die de minister hanteert voor het bepalen van de mate waarin een land goed bestuurd wordt, is het beleid dat ten aanzien van vrouwen wordt gevoerd. In Pakistan worden vrouwen nog steeds straffeloos vermoord als mannen vinden dat hun `eer' dat op een of andere manier vereist. Er heersen in grote delen van het land nog feodale verhoudingen.

Hoewel de regering-Habibie in Indonesië zich ook nog steeds schuldig maakt aan schendingen van de mensenrechten zijn er toch sinds haar aantreden belangrijke vorderingen op dat terrein geboekt. De roep om democratie wordt steeds luider en de eerste democratische verkiezingen sinds 1955 staan voor de deur.

Reden genoeg om de enorme ommezwaai die Indonesië sinds de val van Soeharto gemaakt heeft positief te waarderen. De economische crisis die het land nu al ruim meer dan een jaar teistert, vereist directe steun. Nederland heeft weliswaar deelgenomen aan de groep landen die een groot deel van de schulden van Indonesië kwijtgescholden hebben, maar de Nederlandse regering heeft verzuimd de hand die de Indonesische president bij die gelegenheid uitstak, te grijpen.

Andere landen, zoals de VS, Japan en Duitsland, grijpen het hervormingsproces in Indonesië wel aan om hun ontwikkelingsbanden met het land aan te halen. Van Indonesische kant is bereidheid getoond de culturele, sociale en economische banden met Nederland te versterken. Maar Nederland blijft om onbegrijpelijke redenen aan de zijlijn staan. De Nederlandse regering laat zo een unieke kans liggen om de ontwikkelingsrelatie die enkele jaren geleden werd verbroken, te herstellen.

Ook voor het ministerie zelf is het wenselijk nauwere betrekkingen met Indonesië aan te knopen. Gezien de culturele, historische en sociale banden tussen beide landen zouden veel mensen in Nederland een dergelijk beleid toejuichen. Dit kan bijdragen aan de verhoging van het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking dat de laatste jaren een dalende tendens vertoont.

De minister zelf kan wel `verliefd' zijn op Jemen, maar als dat argument meespeelt bij het bepalen van de keuze voor landen die ontwikkelingsgelden ontvangen, zouden de positieve gevoelens die zowel in Indonesië als in Nederland bij veel mensen nog steeds leven, ondanks een pijnlijk en nog niet altijd verwerkt dekolonisatieproces, zwaarder moeten wegen.

Dr. S.E. Wieringa is verbonden aan het Institute of Social Studies.