Borst en apothekers bij rechter beland

In de strijd tussen minister Borst en de apothekers is het nu aan de Haagse rechter om een oordeel te vellen.

Hoeft een minister een afspraak niet na te komen als ze meent dat er hogere belangen op het spel staan, bijvoorbeeld een sluitende begroting? Deze vraag krijgt de president van de Haagse rechtbank te beantwoorden in het kort geding dat de apothekersorganisatie KNMP aanspant tegen minister Borst (Volksgezondheid).

Op 13 november vorig jaar tekenden Borst en KNMP een meerjarenafspraak waarin onder meer werd vastgelegd dat er op zeer korte termijn onderzoek zou worden gedaan naar de omvang van kortingen en bonussen die apothekers bij hun leveranciers bedingen. `Tegelijkertijd' zou nagegaan worden wat de `reële praktijkkosten' van de apotheker zijn. De eerste resultaten van beide onderzoeken zouden begin maart beschikbaar moeten zijn. Het onderzoek naar de kortingen en bonussen loopt inmiddels. De eerste uitkomsten worden eind deze week verwacht.

Maar aan het tweede onderzoek `geeft het ministerie geen uitvoering', zo is de KNMP vorige week te verstaan gegeven. Borst geeft er de voorkeur aan eerst de uitkomsten van het onderzoek naar de kortingen en bonussen af te wachten, zo heeft ze de apothekers vrijdag geschreven. Daarna wil ze een werkgroep instellen die zich gaat beraden over de honorering van apothekers en de vergoeding van praktijkkosten. In plaats van in het afgesproken onderzoek zou de energie beter in die werkgroep kunnen worden gestoken.

De apothekers zien dat duidelijk anders. Die zijn bang dat ze straks wel het grootste deel van de kortingen en bonussen kwijt zijn, maar naar compensatie in de vorm van een hogere vergoeding voor het verwerken van recepten kunnen fluiten. In 1993 is die vergoeding verlaagd om apothekers te stimuleren meer kortingen te bedingen, iets wat toen paste in het streven naar vergroting van de marktwerking. Dit jaar krijgen apothekers evenveel vergoed (11,20 gulden per recept) als in 1992. Ruim 80 procent ervan zou voldoende moeten zijn om er de kosten van de praktijk (pand, assistenten) mee te financieren.

Vorige week kondigde de minister aan de vergoeding zelfs te willen verlagen. Dit is volgens haar nodig als compensatie voor de overschrijding van het budget in 1998. De apothekers willen dat de rechter dit in elk geval verbiedt zolang het onderzoek naar de praktijkkosten niet is afgerond. Ook daar voelt Borst niet voor: het onderzoek zou wel eens kunnen uitwijzen dat juist een (forse) verhoging van de receptvergoeding nodig is. Een eigen onderzoek van de KNMP wijst al in die richting.

Zo'n uitkomst zou de financiële problemen van Borst alleen maar vergroten. Ze heeft er dus baat bij dat de rechter haar in het gelijk stelt. Maar als hij dat doet zou hij ook wel eens de bodem onder de meerjarenafspraken weg kunnen slaan. De minister was er vorig jaar trots op dat ze met vrijwel alle sectoren in de gezondheidszorg (financiële) afspraken over meerjarig beleid had kunnen sluiten. Om die trots te rechtvaardigen moet de Haagse rechter minister Borst echter in het ongelijk stellen, dan blijft afspraak immers afspraak.