Ziek van de klap

Twaalf, mogelijk zestien mensen met auto-immuunziekten zijn een aanwijzing dat stoffen uit de Bijlmer-Boeing toch mensen vergiftigd hebben. Duizend andere klagers zijn daar niet mee geholpen.

Een 151 ton zware Boeing, twee motoren lichter, maar met 114 ton lading en 60 ton kerosine in de brandstoftanks, sloeg op 4 oktober 1992 een gat in de Bijlmerflats Groeneveen en Kruitberg. Een vuurbal als gevolg van een kerosine-explosie sloeg langs de flats omhoog, daarna woedde een brand. Overlevenden, omwonenden en hulpverleners meldden zich massaal voor medisch onderzoek. Ze willen al zes jaar weten wat ze hebben ingeademd, wat ze hebben aangeraakt, of ze daar ziek van zijn, of zullen worden.

Het rapport `Gezondheidsrisico's brand El Al Boeing' van oktober 1998, opgesteld door medewerkers van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM) in Bilthoven probeert een antwoord te geven.

Volgens de Rijksluchtvaartdienst was er 114.700 kilo lading aan boord. De commissie Hoekstra, die op grond van vluchtdocumenten rekende, kwam tot 106.968 kilo. De RIVM-onderzoekers vinden 13.152 kilo zo nauwkeurig beschreven dat goed kan worden beoordeeld wat er tijdens brand mee gebeurt. Van 43.141 kilo lading konden de onderzoekers nog redelijk goed zeggen hoe het brandt (het meeste was kunststof), maar naar het brandgedrag van de overige 50.675 kilo konden ze slechts gissen. Die ruim 50 ton zijn buiten beschouwing gebleven.

Veel kunststoffen (zoals PVC) zijn in vuur gevaarlijk, vanwege het chloor dat er uit vrijkomt. Bij brand verbindt chloor met water tot HCl, wat bij inademing longschade kan veroorzaken. Het RIVM schat dat de lading ongeveer 37.500 kilo kunststof bevatte en dat voor de bouw van het vliegtuig (naast 19.000 kilo ander brandbaar materiaal) ook 19.000 kilo kunststof was gebruikt. Meestal is dat slechtbrandend plastic.

Kunststof (56.500 kilo) was zo de belangrijkste productgroep. Eigenlijk is kunststof aardolie waar chloor als gevaarlijke stof aan is toegevoegd. De onderzoekers houden het op 3,8 procent chloor (ruim 2100 kilo). De in gewicht tweede productgroep was 50.000 kilo zwaar en eveneens een aardoliefractie: kerosine. Het toestel kwam neer met 60.000 kilo kerosine, waarvan naar schatting 10.000 kilo niet verbrandde en in de grond verdween. Kerosine bevat nogal wat aromatische (ringvormige) koolwaterstoffen zoals benzeen. En bij onvolledige verbranding worden ingewikkelder verbindingen gevormd, niet alleen uit kerosine, ook uit kunststof. Hun verzamelnaam is: polyaromatische koolwaterstoffen (pak's) en ze zijn schadelijk.

In totaal stortte op de Bijlmer 144.250 kilo brandbare massa neer, schrijft het RIVM. Daaraan moet 180.750 kilo te slecht gedocumenteerde of onbrandbare massa worden toegevoegd. In het rapport is er verder geen rekening mee gehouden. Ook de brandbare of bij brand vrijkomende materialen (asbest, klinkt het dan al snel)) in de flats blijven buiten beschouwing.

Het RIVM rekent aan de hand van het brandoppervlak, het soort brandbare materiaal en de duur van de brand uit hoeveel materiaal er verbrand kan zijn. Het antwoord is 145.800 kilo, wat dicht in de buurt komt van de neergestorte brandbare massa. De onderzoekers concluderen dat niet alle brandbare vliegtuigmassa is verbrand (er brandde ook nog flatinventaris), maar voor alle aangetroffen risicostoffen is aangenomen dat ze volledig zijn verbrand. Dat levert ondanks het veronachtzamen van meer dan de helft van het gewicht toch een worst case analysis.

De aanzuiging van lucht en de hitte van de brand zorgden ervoor dat bovenwinds, vlakbij de brand, op de grond de rookconcentraties laag waren. Hogerop, op 10 tot 30 meter hoogte was de lucht smeriger. De concentraties HCl, koolmonoxide en pak's zijn tijdens de brand vaak lager dan bij het nablussen en smeulen. Door het ontbreken van de omhoogzuigende warme luchtstroom blijven de schadelijke stoffen dan laag bij de grond hangen.

zeswaardig chroom

Bij de beoordeling van mogelijke gezondheidseffecten concludeert het RIVM, met slagen om de arm, dat tijdens en korte tijd na de brand prikkeling van de luchtwegen en benauwdheid op een afstand van 20 tot 30 meter van het vuur voor de hand lag. Maar dat van de veroorzakende stoffen (HCl en de gewone ongekatalyseerde uitlaatgassen als CO, SO2, NO en NO2) geen blijvende effecten zijn te verwachten. Van de hoeveelheid verbrand verarmd uranium was niets te duchten. Schadelijk waren mogelijk de aanwezigheid van zeswaardig chroom, de paks, cadmium, nikkel en antimoon. De blootstelling zou kunnen leiden tot 1 tot 2 extra kankergevallen onder 10.000 blootgestelden. Fijntjes concluderen de onderzoekers dat dat risico ligt op het niveau van het maximaal toelaatbare risico dat in het Nederlandse milieubeleid voor de blootstelling aan gevaarlijke stoffen wordt gehanteerd. Komt het aantal kankergevallen door een bepaalde blootstelling boven de 1 per 10.000, dan voelt de overheid zich geroepen preventieve maatregelen te treffen.

Het RIVM-rapport rept met geen woord over de auto-immuunziekten die de afgelopen dagen opeens midden in de belangstelling stonden.

Bij één bewoner van de rampflat werd vorig jaar Churg-Strauss vasculitis vastgesteld, een ontsteking van de slagaderwand. De klachten begonnen bij hem in 1996 met astma die niet op medicijnen reageerde, spierzwakte door zenuwafwijkingen, gewrichtsontstekingen, kleine paarse huidbloedinkjes en toename van een bepaald soort afweercellen (eosinofielen) in zijn bloed. AMC-patholoog prof.dr. J.J. Weening nam een nierbiopt en vond daar ontstekingen van de kleine vaatjes (vasculitis). Weening, gisteren gehoord door de Bijlmerenquêtecommissie, stelde de diagnose in de zomer van 1998.

Toen lag ook een man in het AMC die als sloper van de getroffen Bijlmerflat had gewerkt. Kortademigheid, gewrichtsklachten, vocht rond de longen en nierfunctiestoornissen leidden naar de bij mannen van middelbare leeftijd zelden gestelde diagnose `systemische lupus erythematosus' (SLE), een ziekte waarbij het afweersysteem zich tegen eigen weefsel richt.

Weening meldde beide patiënten op 2 oktober 1998 bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg en stelde voor om bij alle mensen uit het rampgebied met systemische klachten (kortademig, gewrichtsklachten, spierzwakte – precies de klachten die veel Bijlmerslachtoffers rapporteren) bloedonderzoek te doen. De Inspectie deed niets uit angst voor onrust, aldus AMC-woordvoerder Johan Kortenray. Daarop lichtte de Raad van Bestuur van het AMC de eigen artsen en de huisartsen in. Het Parool schreef erover en daarop meldden zich twee patiënten bij het AMC, een hulpverlener en een bewoner die beiden enkele jaren na de ramp voor SLE waren behandeld. Eind januari zijn, aldus AMC-voorlichter Johan Kortenray, die derde en vierde patiënt aan de inspectie gemeld. Toen kwam de enquêtecommissie langs, er volgden voorverhoren en Weening en AMC-onderoeker dr. C.J. IJzermans, die in drie fasen de klachten van Bijlmerbewoners op verzoek van de Inspectie inventariseert, moesten getuigen. Gistermiddag waren ze aan de beurt.

Een dag eerder, afgelopen donderdag, vertelde gezondheidsinspecteur dr. H. Plokker voor de commissie dat de inspectie nu wèl bloedonderzoek bij de Bijlmerslachtoffers wenst.

De gebruikelijke test om SLE aan te tonen begint, volgens dr.P.C. Limburg, hoofd van het lab voor medische immunologie van het Academisch Ziekenhuis Groningen (waar SLE een belangrijk onderzoeksthema is) met een test op antinucleaire antistoffen (ANA). Daarmee worden in een bloedmonster afweerstoffen tegen bestanddelen van celkernen (nucleï) aangetoond. Limburg: ``Slechts een deel van de mensen die positief zijn in de ANA-test heeft SLE. Ongeveer 5 procent van de bevolking is positief op de ANA zonder ziek te zijn. Maar je weet wel dat je met een positieve ANA alle mensen met SLE hebt. Wie positief is op de ANA test je verder met een Farr-assay. Die spoort antilichamen tegen DNA op, afweerstoffen dus tegen het erfelijk materiaal. Anti-DNA-antilichamen zijn karakteristiek voor SLE.''

Het Farr-assay mist 10 procent van de SLE-patiënten, zodat er ruimte is om op grond van de klinische verschijnselen de diagnose te stellen. Verder is de tweetrapstest belangrijk om niet te veel geld uit te geven. Een ANA-test kost een paar tientjes. Het Farr-assay is enkele keren duurder.

LITERATUUR

De wetenschappelijke literatuur bevat geen aanwijzingen dat bij brand vrijgekomen stoffen auto-immuunziekten veroorzaken. Eén publicatie (Environmental Research, febr 1992) meldt SLE na het drinken van chroomhoudend en anderszins verontreinigd bronwater. Chroom is een van de metalen die bij de ramp vrijkwamen en die volgens het RIVM een gering gevaar voor de gezondheid konden betekenen (1 à 2 kankergevallen per 10.000 blootgestelden). Maar opdrinken kan niet worden gelijkgesteld met inademen of huidcontact.

Een verband tussen uranium en SLE is nooit gevonden, behalve dat mijnwerkers in uraniummijnen veel kwarts inademen en daardoor SLE krijgen. Kwartskristallen en andere kristallijne silicaten (een normaal bestanddeel van grond) zijn ook zonder uranium bekende veroorzakers van SLE en vasculitis, zoals het Churg-Strauss-syndroom. Dr.J.W. Cohen Tervaert, internist en collega van Limburg bij immunologie van het AZ Groningen, heeft er net met enkele collega's een review over geschreven (Silicon exposure and vasculitis, Current Opinion in Rheumatology, 1998, 10: 12-17). Behalve mijnwerkers worden tandtechnici en zandstralers zo SLE-patiënt. SLE ontstaat veel vaker zonder bekende blootstelling aan vreemde stoffen.

Het Churg-Strauss-syndroom kwam vorig jaar opeens in het nieuws als mogelijke bijwerking van nieuwe astmamedicijnen. Acht patiënten in de VS die het nieuwe astmamedicijn Accolate (zarfilukast) gebruikten kregen Churg-Strauss. Het medicijn kreeg aanvankelijk de schuld, maar inmiddels is er een andere theorie: de medicijnen voor Churg-Strauss zijn afweeronderdrukkende middelen, zoals de corticosteroïden die astmapatiënten gebruiken. Astmapatiënten die eigenlijk ook Churg-Strauss hebben onderdrukken hun verschijnselen met hun astmamedicatie, maar zodra ze overstappen naar de nieuwe leukotrieen-antagonisten steekt hun ziekte de kop op omdat ze minder corticosteroïden gebruiken. De British Medical Journal (20 febr. 1999) wijdde er een commentaar aan.

Churg-Strauss begint met astma, spierzwakte, algehele malaise, huiduitslag, slijm in de longen en verkoudheden. SLE kondigt zich vaak aan met gewrichtsklachten, spierzwakte en vermoeidheid, precies de klachten die veel Bijlmerbewoners al jaren hebben – zij het niet allemaal tegelijk. Of zij ooit full blown SLE zullen krijgen acht AMC-patholoog Weening onwaarschijnlijk. AMC-woordvoerder Johan Kortenray (die afgelopen week het woord deed omdat de getuigen die voor de enquêtecommissie moesten verschijnen zelf radiostilte in acht hielden): ``SLE ontwikkelt iemand een half tot uiterlijk vier jaar na blootstelling. Het duurt soms lang voor de diagnose wordt gesteld. Pas als de klachten zich opstapelen en ernstiger worden, valt het kwartje en wordt de diagnose gesteld.''

Gedreven door aanhoudende gezondheidsklachten en vragen over de lading van het vliegtuig, vroeg de Inspectie voor de Gezondheidszorg begin 1998 aan het AMC om gezondheidsproblemen bij Bijlmerbewoners te inventariseren – allereerst via de huisartsen in Amsterdam Zuidoost. Het rapport verscheen in september 1998. Bij 51 (van de 56) huisartsen in Zuidoost stonden vorig jaar zomer 92.300 patiënten ingeschreven. De huisartsen typeren 5130 mensen als betrokken bij, en 263 als getroffen door de Bijlmerramp. De huisartsen vinden dat ongeveer 300 mensen gezondheidsklachten hebben door de Bijlmerramp. Verder kennen ze 400 patiënten die zelf zeggen ziek te zijn door de neergestorte Boeing, terwijl de dokter het verband betwijfelt. De meeste artsen geven aan dat ze de klachten `voor waar' aannemen, dat ze mensen weten gerust te stellen met het aanbieden van medisch onderzoek of een verwijzing naar een specialist.

algehele malaise

Onder de `erkende' patiënten zitten veel hulpverleners en bewoners van de getroffen flats. Behalve hun stress en blessures klagen ze over moeheid, algehele malaise, pijn, huiduitslag en luchtwegproblemen. Veelal zijn het normale gezondheidsklachten van mensen met psychische problemen in moeilijke omstandigheden, zeggen de huisartsen. De 400 mensen die zelf een verband leggen tussen ramp en gezondheid, hebben dezelfde klachten: moeheid en psychische problemen.

Het tweede deel van het AMC-onderzoek betrof de instelling van een telefonisch meldpunt voor Bijlmerklachten, waar vorig jaar zomer 846 mensen ieder gemiddeld vier klachten deponeerden. De klachten leverden geen diagnosen op.

Het AMC weigert op grond van dit onderzoek om al die mensen lichamelijk te onderzoeken. De AMC-artsen weten niet waar ze naar moeten zoeken, ze denken dat onderzoek wellicht meer kwaad dan goed zal doen, want onderzoek medicaliseert.

Het AMC verricht nog een derde onderzoek. Aan mensen die belden met klachten is gevraagd of de onderzoekers hun medische dossiers mochten inzien. Die dossiers worden nu nageplozen. De uitslag daarvan kan wel tot verder lichamelijk onderzoek bij sommige mensen leiden, zei het AMC steeds. In april of mei verschijnt het rapport. Onderzoekscoördinator en huisartsgeneeskundig onderzoeker dr.C.J. IJzermans lichtte gisteren voor de enquêtecommissie al een tipje van de sluier op. Nog 12, mogelijk 16 mensen hebben een auto-immuunziekte gehad.

Ongetwijfeld ontlokt dit velen een `zie je nu wel' en `ik heb ze nooit vertrouwd' reactie. Maar traumastress en onzekerheid en woede in de daarop volgende jaren kunnen mensen waarschijnlijk net zo goed de klachten bezorgen die nu zo veelvuldig worden geuit. Zie daarvoor de ziekteverschijnselen bij overlevenden van rampen waarbij géén schadelijke stoffen vrijkwamen.