Zelfreinigend vuil

DE RUIM 3.600 oude stortplaatsen in Nederland worden vaak beschouwd als chemische tijdbommen, die bodem en grondwater bedreigen. Wat er ooit is gestort is vrijwel niet te achterhalen. Bovendien is er geen sprake van enigerlei bescherming; hooguit zijn ze aan de bovenkant afgedekt met grond.

Begin jaren negentig begon Noord-Brabant, de provincie met de meeste stortplaatsen, zich zorgen te maken over het mogelijk afgaan van deze chemische tijdbommen. Ingenieursbureau Iwaco kreeg opdracht om de risico's van de bijna 600 oude stortplaatsen in kaart te brengen. Op basis van een eerste inventarisatie werden 170 riskante stortplaatsen geselecteerd voor nader onderzoek. Daartoe werden de nodige monsters genomen van bodem en van grond- en oppervlaktewater, zowel onder de stort als in de directe omgeving ervan.

Tot ieders verrassing bleek dat er van acute risico's geen sprake was. Slechts bij tien procent van deze `meest riskante' stortplaatsen bleek dat de interventiewaarde van een of enkele stoffen werd overschreden. De interventiewaarde is het gehalte waarbij je in principe moet gaan saneren. In principe, want in de praktijk kan het jaren duren voor er wordt gesaneerd.

``Vooral het grondwater bleek veel schoner dan we hadden verwacht'', zegt Willem van Vossen van Iwaco. Hij wordt geciteerd in het maartnummer van ROM Magazine, een vakblad voor ruimtelijke ordening en milieu. Volgens Van Vossen zorgen microbiologische processen in de stort voor afbraak dan wel vastleggen van de verontreiniging. Hij staat daarin niet alleen. Uit proefprojecten van onder meer NOBIS, het Nederlands Onderzoeksprogramma Biotechnologische Sanering, blijkt dat bacteriën en schimmels in staat zijn allerlei stoffen af te breken. Tegenwoordig wordt bijvoorbeeld verontreinigde grond onder benzinestations al niet meer afgegraven, maar standaard gereinigd door het stimuleren van micro-organismen ter plekke. Ook vervelende stoffen als tri, per en tetra, gechloreerde organische oplosmiddelen, worden door micro-organismen afgebroken tot kooldioxyde en water, zo blijkt uit recent onderzoek van de vakgroep biochemie van de Rijksuniversiteit Groningen.

Uit de stortplaatsen ontsnappen ook vrijwel geen zware metalen. Van Vossen vermoedt dat dat komt, doordat microbiologische afbraak zorgt voor een zuurstofloos milieu in de stortplaats. In die omstandigheden worden die metalen gebonden aan humusachtige verbindingen en hechten ze zich als metaalsulfiden stevig aan bodemdeeltjes. Overigens is een sulfide-rijke omgeving waarschijnlijk niet eens nodig voor het vasthouden van zware metalen. Voor zover ze in oplossing gaan, binden de kationen zich vaak ook zo wel aan bodemdeeltjes.

In opdracht van de overheid gaat Iwaco na of de oude stortplaatsen zichzelf inderdaad kunnen saneren. Op 150 oude stortplaatsen verspreid in het land worden de komende jaren monsters verzameld, zowel van de inhoud van de stort als van de bodem en het grondwater in de omgeving.

Als het verhaal van de natuurlijke afbraakprocessen in de stort wordt bevestigd, dan heeft dat op de eerste plaats grote financiële gevolgen. Indertijd is vastgesteld dat Nederland tussen de 600 en 900 miljoen gulden per jaar zou moeten uittrekken voor nazorg en sanering van oude stortplaatsen. Als stortplaatsen zichzelf saneren, kan dat bedrag met de helft worden verminderd, meent Henk van Zoelen, hoofd Bodemsanering van de Provincie Noord-Brabant. Dat scheelt toch al gauw tien à vijftien miljard voor de komende dertig jaar.

In de tweede plaats heeft de biologische afbraak op stortplaatsen ook gevolgen voor de manier waarop we tegenwoordig met ons afval omgaan. Nu is het beleid gericht op scheiden aan de bron en zoveel mogelijk hergebruik. Storten wordt daarbij vermeden. Als het al moet gebeuren, dan mag het alleen voor bepaalde categorieën zoals bouwafval en bedrijfsafval en moet de stort zo stevig mogelijk worden ingepakt met folie, zowel aan de onderkant als aan de bovenkant.

Volgens Chris Zevenbergen, afvalspecialist bij Iwaco, dreigen we daardoor het paard achter de wagen te spannen. Omdat we keurig GFT-afval afscheiden en vervolgens composteren, komt het nauwelijks meer op de stort terecht. Gevolg is dat de stort onvoldoende organisch materiaal bevat om de biologische afbraakprocessen in gang te zetten. Daardoor zadelen we onszelf op met een eeuwigdurende nazorg met alle kosten van dien.

Als stortplaatsen zichzelf saneren binnen een periode van pakweg dertig jaar, kan het ook uit milieu-oogpunt interessant zijn om ook weer huishoudelijk afval te gaan storten. Inclusief een behoorlijke hoeveelheid GFT-afval om de microbiologische afbraakprocessen op gang te brengen. Dat betekent dan wel het einde van de toch al vaak verwenste biobak.