Voetballen in de Hongerwinter

Voetbalclub Heerenveen haalde in de Hongerwinter 86 aspirantjes uit de uitgemergelde hoofdstad naar Friesland. Jan Hobby van DWS was een van de uitverkorenen, die na een barre tocht over het IJsselmeer door Abe Lenstra werden begroet. Hoe een Amsterdams jochie de Tweede Wereldoorlog overleefde.

Twee jeugdfoto's liggen naast elkaar op tafel en liefkozend wijst Jan Hobby twee C-junioren van DWS aan die ook letterlijk boven hun leeftijdgenoten uitsteken. Het moet in 1975 zijn geweest en Frank Rijkaard staat naast Ruud Gullit. De inmiddels 67-jarige Hobby is al 55 jaar lid van de Amsterdamse voetbalclub en meer dan 25 jaar was hij bestuurslid. Hij kan zich de contrasten in hun karakters nog scherp voor de geest halen. ,,Als Ruudje binnenkwam, vulde hij de gehele kantine, zelfs als ventje van 13 jaar oud. Als Gullit vertelde dat hij een mooi meisje had ontmoet, hingen alle jeugdspelers van DWS aan zijn lippen. Die flair had hij van nature. Gullit sloeg ook meteen een jeugdelftal over, zijn ontwikkeling ging razendsnel. Frank hoorde je nooit. Mijn vrouw en ik kwamen hem laatst nog tegen. Bijna verlegen mompelde hij `goedenmiddag' alsof hij liever niet gezien wenste te worden.''

Ruim dertig jaar eerder had Hobby dezelfde idealen als Rijkaard en Gullit, al miste hij het talent van de beroemdste talenten die uit de DWS-school zijn voortgekomen. Ook op deze vergeelde foto zitten knaapjes in het beroemde blauwe shirt met de zwarte banen broederlijk bijeen. Dit is aspiranten 10 op het trainingsveld van DWS in het seizoen 1943-'44, want niet alleen de topclubs speelden tijdens de Duitse bezetting gewoon door. Op de tweede rij in het midden zit de 12-jarige Jan Hobby, achter hem staat zijn vriendje Nelis in den Berken.

Het was wel behelpen voor de jeugdspelers van de club uit de Spaarndammerbuurt, waar voetbal voor de dagloners het enige verzetje was na een lange dag in de suikerfabriek aan de Haarlemmerweg. Hobby: ,,Voordat we konden voetballen aan de Spaarndammerdijk moesten we eerst de schapen weghalen. Een boer uit de Houtrijkpolder had zijn schapen op ons veld staan. Die hielden het gras lekker kort. Je bracht zelf de doelpalen naar het veld, hing de netten op en ome Ko Huisman pompte de vetleren ballen op. En had niet de moed om bij hem in zijn werkplaats te komen! Dat was zijn heiligdom. DWS had nog de luxe van een douche. Maar bij een club als Sloterdijk stonden regentonnen bij de kleedkamer. Daar moest je dan met die geëmailleerde bakjes water uit scheppen om je te kunnen poedelen.''

Door bestuursleden van DWS werd Hobby gescout, tijdens schoolwedstrijden. ,,Ik had het voordeel dat ik linksbenig was, linksbenige voetballers zijn schaars en hebben iets speciaals. Ome Simon Zandt was als trainer zijn tijd ver vooruit, hij hamerde er reeds in de oorlogsjaren op dat we tweebenig moesten zijn. Ik moest van Ome Simon mijn linkerschoen uittrekken, waardoor ik wel gedwongen was met mijn rechterbeen te schieten. Bij oefeningen moest ik als linksbenige voetballer van de rechterkant komen, de bal met rechts aannemen en met links of rechts schieten. Schieten met het verkeerde been werd dus al bijna zestig jaar geleden aangeleerd.''

Voor een kind van twaalf jaar dat zo graag op echte kicksen wilde voetballen, was de oorlog maar betrekkelijk. ,,Ik zadelde mijn ouders met een probleem op, want ik wilde op de schoenenbon echte voetbalschoenen kopen. Je had nog van die ouderwetse kicksen tot op het scheenbeen met een stalen neus. Daar zaten leren noppen onder met drie spijkertjes. De schoenmaker zag het eigenlijk niet zitten, maar hij gaf me toch kicksen op die schoenenbon. Gewone schoenen waren toen niet meer voor me weggelegd, ik moest in vrije tijd op klompen lopen.

,,Maar een kind ben ik niet lang gebleven. Het werd ook mij duidelijk dat de levensomstandigheden in Amsterdam steeds ondragelijker werden. Het was aanvankelijk een vreemde gewaarwording dat je als kind bepaalde normen en waarden moest overschrijden om in leven te blijven. Ik ging met mijn broer naar de Houthaven om hout en kolen te stelen. Bij de Hembrug stopte de goederentrein altijd even. Dat was voor ons het moment om een zak met kolen te jatten. Het was eigenlijk onverantwoordelijk. Een van mijn vriendjes werd in de Coenhaven door zijn enkel geschoten, toen hij hout wilde stelen.

,,Ik heb kinderen voor mijn ogen zien verdrinken. In de winter lag het hout op dekschuiten. Die konden we over het ijs bereiken, maar officieren van de OD hakten het ijs aan de wallenkant kapot. Dat deden ze 's nachts waardoor wij het niet konden zien. Mensen schoven zo onder het ijs en konden onmogelijk worden gered. Wij konden slechts razendsnel planken vanaf de wallenkant op het ijs gooien, zodat we toch bij die boten terecht konden komen. Maar als je thuis kwam met een paar balken was je een held. Dat werd zo in de open haard gegooid, want we waren als de dood dat de moffen ons bij huiszoeking zouden snappen.''

En toch ging de nationale voetbalcompetitie door tot de lente van 1944, toen De Volewijckers in een uitverkocht Olympisch Stadion het landskampioenschap veroverde door Heerenveen met 4-1 te verslaan. Ph. Corstens, toenmalig bestuurslid van De Volewijckers verbaasde zich over de jacht op de 30.000 beschikbare kaarten. ,,Bepaalde levensmiddelen zijn moeilijk te krijgen. De mensen gaan echter niet naar de Beemster voor zichzelf, maar louter met de bedoeling om de daar verkregen groenten en aardappelen te ruilen voor kaartjes!''

In een artikel in Het Parool in mei 1997, Hongerwinter in Heerenveen, constateert historicus Jurryt van de Vooren dat zich onder de toeschouwers veel ondergedoken mannen bevonden die deportatie of dwangarbeid trachtten te ontlopen. Bij Volewijckers-lid Tip de Bruin won de liefde voor zijn club het van de angst te worden opgepakt. ,,Bij de ingang stonden leden van de NSB en de Grüne Polizei, daar moesten wij langs. Ik liep in het midden van de massa om onopgemerkt binnen te komen. Wat moest ik dan? Ik was blij als ik één keer in de twee weken onder de mensen was.'' Hij negeerde dus het gevaar van razzia's of bombardementen, want tijdens de wedstrijd tussen De Volewijckers en Heerenveen was boven het stadion het gebrom van geallieerde vliegtuigen te horen.

Niet alleen De Bruin koesterde het verlangen te vluchten in de sport om het dagelijks leed te vergeten. Zo beklemmend had Abel Herzberg het eerder beschreven: op het Olympiaplein in Amsterdam hoorde je de tennisballen van het racket vertrekken, terwijl op honderd meter afstand bij een razzia honderden joden werden opgepakt. Terwijl in het joodse getto in Amsterdam op 23 februari 1941 massale razzia's werden gehouden, speelde Ajax een kilometer verderop de thuiswedstrijd tegen Xerxes. Ajax won met 9-1.

Op het veld werd bijna krampachtig vastgehouden aan normen en waarden, die in het maatschappelijk leven letterlijk onder de voet waren gelopen. Tijdens een lezing van de vakgroep geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam herinnerde Feyenoord-supporter Frans Appels zich hoe groot de verontwaardiging was toen Feijenoord-spits Jan Bens tijdens het duel met Ajax in 1942 slaags raakte met de doelman van de Amsterdammers. ,,De scheidsrechter had niets gezien. Maar Bens werd door zijn aanvoerder Bas Paauwe zelf uit het veld gestuurd en Feijenoord speelde met tien man verder.'' Ajax verloor desondanks met 2-0.

Ook dat leerde Jan Hobby snel: ,,Geef het volk brood en spelen, de behoefte aan ontspanning was enorm. Maar hoe wrang het ook klinkt: Volewijckers had het geluk dat de club op het Mosveld in Amsterdam-Noord was gevestigd. Aan die kant van het IJ was in 1944 nog aan voedsel te komen, in de stad allang niet meer. De spelers van Volewijckers waren beter gevoed dan hun tegenstanders. Ik zeg niet dat ze daarom kampioen zijn geworden, maar ze hebben beslist geprofiteerd van de betere levensomstandigheden in Noord.''

Pas veel later heeft Hobby beseft hoeveel honger hij al had geleden, toen secretaris Floor Felëus van de Friese voetbalclub Heerenveen een opmerkelijk initiatief ontplooide. Om in elk geval tientallen kinderen in Amsterdam te behoeden voor de hongerdood werden in totaal 86 aspiranten van Ajax, DWS, Volewijckers en Blauw Wit uitgenodigd naar Friesland te komen. Daar zouden ze worden ondergebracht in pleeggezinnen. Bij DWS heeft het lot beslist over de aanwijzing van de 15 deelnemers aan de tocht naar Friesland. ,,Gelukkig hoefde ik dat niet te doen'', vertelde DWS-bestuurder Ad de Haas aan historicus Van de Vooren. ,,Dat moet verschrikkelijk zijn geweest.''

Ajacied Rob Been geloofde niet dat het lot over zijn uitzending had beslist. ,,Arie en Jan de Wit zijn de zoons van onze toenmalige secretaris. Nee, dat is geen loting geweest. Dat weet ik heel zeker.'' Hobby heeft nooit willen weten waarom juist hij één van de uitverkoren kinderen was. ,,Per club mochten ongeveer 20 jongens naar Heerenveen, terwijl het aanbod natuurlijk veel groter was. Ik heb me bewust niet willen verdiepen, waarom ik als spelertje van het tiende aspirantenteam wel in aanmerking kwam en een ander niet. Ik zou me alleen maar schuldig hebben gevoeld.

,,Voor ons gezin was het natuurlijk een uitkomst, godzijdank hoefden mijn ouders een mond minder te vullen. Je kunt je niet voorstellen hoe schrijnend de keuze in sommige gevallen is geweest. Ergens langs de oude weg naar Halfweg konden we eten op een boerderij. Maar die boer had slechts voedsel voor twee personen. Mijn vriendje en ik waren natuurlijk veel sneller dan zijn vader, die ouwe had mooi pech. Daar dacht je niet aan. We zaten te schransen tot pa binnenkwam. Hij ging vechten met zijn zoon om een stukkie brood, zo triest was het met ons gesteld. Lijfsbehoud stond voorop, je had de kracht niet aan een ander te denken.''

Die kracht hadden ze wel in Heerenveen, waar volop voedsel te krijgen was. In november 1944 vertrokken de 86 voetballertjes op een Rijnaak over het IJsselmeer naar Friesland. ,,De eerste poging mislukte. Het was te link over het IJsselmeer te gaan, omdat Geallieerde vliegtuigen alles beschoten wat bewoog. De volgende dag slaagden we er wel in Friesland te bereiken. Alle luiken gingen dicht in het vooronder van dat schip. We durfden ons nauwelijks te verroeren. Ik troostte me met de gedachte dat als we zouden worden beschoten ik in elk geval verband om mijn lichaam had, want ik droeg een trui die was gemaakt van rolletjes verband.

,,Ik had mijn bonnenkaart bij me, daar heb ik me achteraf vreselijk schuldig over gevoeld. Bij aankomst in Heerenveen zei mijn pleegmoeder meteen: ,Ach jongen, had die kaart toch thuis gelaten voor je ouders, er is hier eten in overvloed.' In Amsterdam sloegen mensen elkaar de hersens in voor een snee brood of een sigaret. Desondanks gaven mijn ouders mij een bonnenkaart mee in de veronderstelling dat de mensen in Friesland die nodig hadden om mij te kunnen voeden.''

Direct bij aankomst maakten ze kennis met Abe Lenstra. ,,Abe was nog niet de legendarische speler van na de oorlog'', zegt Hobby. ,,Hij werkte destijds als klerk bij de gemeente. Lenstra was wel al een bijzondere sportman. Hij was kampioen van Friesland op de 100 meter sprint, schaatsen kon hij als de beste en Abe kon ook aardig tennissen. Ik woonde in Oranjewoud vlak naast hem. Het was voor die voetballertjes uit Amsterdam natuurlijk een geweldige ervaring om af en toe een balletje te mogen trappen met Us Abe.''

Maar dat duurde wel even, want Jan Hobby was net als zijn lotgenoten slechts een schim van zichzelf toen hij in Friesland arriveerde. ,,Ik kwam bij een weduwe met een zoon en een dochter, die mij als haar eigen kind behandelde. Enig onderscheid tussen mij en de andere kinderen heb ik nooit gevoeld. Die vrouw heeft me letterlijk als een baby moeten heropvoeden, want ik was zo ondervoed dat ik zelfs een theelepel pap niet kon verdragen. Ik had geleefd van water en aardappelschillen, bloembollen en suikerbieten. Ik heb veertien dagen lang diarree gehad, toen ik in Heerenveen weer normaal voedsel kreeg toegediend. Ze hebben me van de grond af aan moeten opbouwen.

,,Mijn teamgenootje Nelis in den Berken werd door een kapper in Oranjewoud voor een evacué aangezien. Kinderen die uit Zeeland waren geëvacueerd, moesten op last van de autoriteiten in Friesland worden ontsmet. Die kapper vroeg Nelis in het Fries of hij ook een evacué was. Dat joch verstond hem niet en zei braaf `ja'. De kapper pakte dus meteen de tondeuse. Wekenlang was het hoofd van Nelis zo kaal als een biljartbal en werd hij op straat nagewezen als een evacué.''

Voetbal verdreef de hartverscheurende gedachten aan zijn ouders in Amsterdam. In april 1945 meldde het DWS-bestuur dat ,,onze jongens zich in de voetbalcompetitie geducht doen gelden''. DWS verloor uiteindelijk de beslissingswedstrijd tegen Heerenveen met 4-1.

Met zijn ouders had Hobby in die tijd geen enkel contact. ,,Na de oorlog kregen ze bericht van het Rode Kruis dat ik in Heerenveen zat. We zaten hermetisch van de buitenwereld afgesloten. Wie toch terug wilde naar Amsterdam moest daar dik voor betalen in natura, in roomboter en aardappelen. De heimwee was aanvankelijk groot, ik sprak de taal niet en daarom ging ik ook niet naar school. Voetbal was daarom mijn belangrijkste uitlaatklep. Na de oorlog hebben we met de vier Amsterdamse elftallen nog een toernooi gespeeld met Heerenveen. Je zult begrijpen dat wij niet van die Friese gastjes wilden verliezen.

,,Pas enkele maanden na de bevrijding konden wij naar huis. Ik voelde me bijna ontheemd toen ik terugkeerde in Amsterdam, ik was die muffige, nauwe straatjes niet meer gewend. Ik keerde letterlijk terug naar een bekrompen wereld. In Heerenveen leefde ik buiten op straat, in de bossen, als een vrijgevochten kind dat geen grenzen meer kende. Ik moest echt weer leren in het gareel te lopen. Ik had er in jaren niet zo gezond uitgezien. Ik voelde me dan ook opgelaten dat ik anderhalf uur in de rij voor de gaarkeuken moest staan om een pannetje pap voor mijn ouders te halen. Ik was in Friesland beter gewend.''

In 1995 was Hobby een van de gasten bij de opening van het Abe Lenstra-museum. Hij organiseerde een reünie met de voetballertjes die in 1944 aan de Hongerwinter konden ontsnappen dankzij de gastvrijheid van Heerenveen. ,,Elk jaar tijdens de winter denk ik wel eens aan mijn verblijf in Friesland. Ik ben DWS altijd trouw gebleven, ook na de terugkeer naar de amateurs, omdat ik in zekere zin mijn leven heb te danken aan die club. Bovendien heb ik tot op de dag van vandaag contact gehouden met de familie in Heerenveen. Mijn pleegmoeder is overleden, maar haar dochter zien we nog regelmatig.

,,Ik zal nooit vergeten wat die mensen voor me hebben gedaan, hun opstelling getuigde van een unieke solidariteit. Mijn pleegmoeder gaf me zelfs Friese doorlopers, want schaatsen had ik natuurlijk niet. Ik heb ze nog steeds, mijn kinderen hebben er ook op leren schaatsen. Als de dochter uit het pleeggezin nu weer op bezoek komt, geef ik haar de Friese doorlopers terug. Ik heb ze niet meer nodig en ik wil ze graag aan haar schenken als een aandenken aan haar moeder.''